Architectenbureau RE-ST pleit voor niet bouwen, ontrommelen en activeren van zwerfruimte

‘Het meest ecologische huis is het huis dat je niet bouwt’

‘De gemeente Gingelom klopte bij ons aan met de vraag hun bestaande gebouwen te analyseren en eventueel een nieuwe podiumzaal te verantwoorden. We brachten eerst in kaart welke gebouwen er al zijn en hoe ze gebruikt worden.’

Zeven hectare per dag. Het is de snelheid waarmee de open ruimte in Vlaanderen volgebouwd wordt. Twintig jaar geleden schoof het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen al inbreiding en verdichting als remedie voor de bouwdrift naar voren. Het resultaat was een omgekeerde beweging. We breidden nooit sneller uit dan toen we ons voornamen in te breiden.

Volgens architecten en ontwerpers Tim Vekemans en Dimitri Minten van het in Antwerpen gevestigde ontwerpbureau RE-ST dreigt er met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen precies hetzelfde te gebeuren. ‘We missen een concrete ambitie en plan van aanpak voor een ruimtelijk dieet en dus houdt de vraatzucht aan. Men hoorde het woord betonstop en reageerde als hamsteraars. Nooit werden langs steenwegen en op braakliggende kavels meer bouwaankondigingen in de grond geklopt. Ons ruimtelijk metabolisme is uit evenwicht.’

Vekemans klapt zijn laptop open. ‘Mister Creosote ontploft. Ken je die scène uit The Meaning of Life van Monthy Python?’ Hij toont me het korte filmpje van de man wiens buik zo uitpuilt dat hij op de grond hangt, die puft dat hij nu wel genoeg geschranst heeft, dat er niets meer bij kan, maar die op aandringen van de ober toch nog dat ene, minieme toemaatje tussen zijn lippen murwt. Eerst zwelt hij op, daarna barst hij uit elkaar.

Vekemans noemt het de metafoor van onze bebouwde omgeving. We lijden aan ruimtelijke obesitas, zitten op een boterberg van gebouwen. Die, voegt Minten eraan toe, vaak aan onderbenutting lijden. ‘Niet alleen bouwen we te veel, we gebruiken niet goed wat we hebben’, zegt Minten. ‘We hebben de mond vol van duurzame architectuur. Maar het meest ecologische en duurzame gebouw is het gebouw dat je niet bouwt.’

Vijf jaar geleden publiceerde RE-ST het vlugschrift ‘Pleidooi voor het niet-bouwen’, waarin tien strategieën voor een ruimtelijk dieet worden voorgesteld. Als architecten kleedden ze de leerstelling uit dat ‘het gebouw de oplossing is’.

‘Na bijna twintig jaar in het vak hebben we voor onszelf uitgemaakt dat we niet zozeer bouwers, als wel opruimers nodig hebben.’

Vekemans: ‘Het is het uitgangspunt van iedere architectuuropleiding. We leren studenten nog altijd unieke objecten te ontwerpen en te denken in gebouwen waarin ze hun eigen gevoel en identiteit kunnen leggen. Ontwerpen is en blijft natuurlijk belangrijk. Maar dat hoeft niet per definitie in nieuwe gebouwen. Hergebruik is bijna een blinde vlek in de opleiding. We creëren het liefst iets uit niets en negeren wat al bestaat.’

Zwerfruimte

‘Na bijna twintig jaar in het vak hebben we voor onszelf uitgemaakt dat we niet zozeer bouwers, als wel opruimers nodig hebben’, gaat Minten verder. Het vormde de aanzet van een tweede onderzoek. Deze keer naar zwerfruimte.

Ook daar schreven ze een klein pamflet over. ‘We missen een grondige analyse van het gebruik van onze beschikbare ruimte’, staat erin. En dus ontstaat er zwerfruimte. Gebouwen worden wel gebruikt, maar niet optimaal. Vaak zijn gebouwen deels of tijdelijk in onbruik geraakt. Het is een tijdelijkheid die ongepland definitief wordt.

© RE-ST

Tim Vekemans en Dimitri Minten van RE-ST: ‘Als we erin slagen om opdrachtgever te overtuigen het bestaande patrimonium beter te gebruiken, in plaats van iets nieuws te bouwen, dan is de voldoening erg groot.’

‘De vraag is of die zwerfruimte het waard is weer in te nemen, of dat we deze ruimten moeten opgeven’, vertelt Minten.

Hij verwijst naar het boek Drosscape. Wasting land in Urban America van de Amerikaanse stedenbouwkundige Alan Berger. Als professor aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) heeft Berger zich toegelegd op de vervlechting tussen het verkwistend gebruik van grondstoffen en de manier waarop we als mens de ruimte om ons heen inpalmen en volstorten met beton, asfalt en bakstenen. De ecologische kost van steeds meer bouwen is enorm.

Volgens Berger is het tijd om die kost in rekening te brengen en op te ruimen wat we te veel hebben. ‘Heel veel ontwerpers willen daar niet aan beginnen’, zegt Minten. ‘Ze zeggen: “We hebben die verrommeling niet veroorzaakt. Waarom zou ik me ermee bezighouden?”’

‘Er valt op het eerste gezicht niet veel eer te behalen aan het detecteren van onderbenutte gebouwen, aan speuren naar wat we te veel hebben, aan het analyseren van zwerfruimte. Maar dat klopt niet. Als we erin slagen een overheid, onderneming of individuele opdrachtgever te overtuigen het bestaande patrimonium beter te gebruiken, in plaats van iets nieuws te bouwen, dan is de voldoening erg groot. Zeker als de burgemeester die aanvankelijk droomde van een gloednieuwe podiumzaal, zegt: “Jullie hebben me ruimtelijk bekeerd.”’

Schuiven met functies

Het gebeurde in de Limburgse gemeente Gingelom.

Toen de voormalige burgemeester Eddy Baldewijns (sp.a) met politiek pensioen ging, verblijdde hij zijn geboortedorp met een grootschalige bibliotheek. Het doel was nobel, het resultaat een schoolvoorbeeld van inefficiënt ruimtegebruik. Minten schetst de contouren: ‘Tien meter hoog, een zaal van vijftien op achttien, 108 meter boekenrekken en enkele bezoekers per uur. Een imposant afscheidscadeau, maar bovenmaats voor de gemeente.’

‘Door bestaande gebouwen en hun gebruik op te lijsten, leer je mensen anders kijken naar wat ze al hebben. Meestal reageert men verrast.’

‘Iatrogenese’ is het woord dat de Oostenrijkse filosoof Ivan Illich hiervoor bedacht. Goedbedoelde remedies die de situatie enkel verergeren. ‘In onze bouwdrift zit veel iatrogenese’, zegt Minten. ‘We bouwen omdat we denken behoeften te vervullen en problemen op te lossen, maar in realiteit creëren we vooral nieuwe knelpunten.’

‘Zo klopte het gemeentebestuur van Gingelom bij ons aan met de vraag hun bestaande gebouwen te analyseren, om eventueel de bouw van een nieuwe podiumzaal voor 250 personen te verantwoorden en realiseren. Daar was nood aan. Meende men. Vooral voor de toneelvereniging. Die zou de zaal toch zeker vijf keer per jaar gebruiken.’

‘Een van onze methodieken is doorvragen. Het beste inzicht is tenslotte het inzicht dat je zelf krijgt’, grijnst Vekemans. ‘Sinds we onze blik op zwerfruimte richten, kaatsen we de bouwvraag altijd terug naar de opdrachtgever. Is een nieuw gebouw wel het antwoord? Of bevindt er zich in de gemeente voldoende zwerfruimte die men kan activeren? We overtuigden het bestuur eerst een patrimoniumstudie uit te voeren en in kaart te brengen welke gebouwen ze allemaal beheren en hoe die gebruikt worden.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Voor Gingelom leverde de inventaris van de bebouwde ruimte elf kerken op, vijftien gemeenschapshuizen en een pas aangekochte, voormalige filmzaal. ‘Door dat op te lijsten, leer je mensen anders kijken naar wat ze al hebben. Meestal reageert men verrast.’

‘We zijn beginnen schuiven met de functies van de bestaande gebouwen. De bibliotheek konden we netjes in een van de kerken passen, de huidige bibliotheek kan perfect omgevormd worden tot een podiumzaal en die herschikking is mogelijk met het behoud van een wekelijkse kerkdienst voor de zestig personen die die nu nog volgen.’

‘De gemeente heeft zich de kost van een nieuwbouw uitgespaard. Er is geen nieuwe ruimte bebouwd, noch open ruimte ingenomen. We zullen er misschien niet mee in architectuurtijdschriften belanden, maar maatschappelijk hebben we hier waardevol werk verricht.’

Onderbenut

‘Het gaat vooral over miljoenen vierkante meters en miljoenen euro’s aan huur die je maandelijks betaalt met belastinggeld.’

Door tal van praktijkvoorbeelden te verzamelen – ook voor Olen voerde RE-ST een patriomoniumstudie uit – hopen Vekemans en Minten de bouwhonger te stillen. Of op z’n minst de bouwreflex af te remmen. Het uitgangspunt, stelt Minten, is zeer eenvoudig. ‘Als het kan, lossen we behoeftes op zonder te bouwen. Als het moet, bouwen we bij, maar dan proberen we elders te slopen.’ Ruimteneutraal bouwen hebben ze dat gedoopt.

Tegelijkertijd ontwikkelden ze instrumenten om het ruimtegebruik van bestaande gebouwen te meten en te optimaliseren.

‘We hebben een schrijnend gebrek aan gegevens’, vertelt Minten. ‘Twee jaar geleden werden er bij grote uitzondering cijfers gepubliceerd. Meer dan 25 procent van de kantoorgebouwen van de federale overheid zou ongebruikt of onderbenut zijn. Het zijn prototypes van zwerfruimte. Maar het gaat vooral over miljoenen vierkante meters en miljoenen euro’s aan huur die je maandelijks betaalt met belastinggeld. Daar is een woord voor. Smossen.’

Vekemans knikt. ‘Je mag ervan uitgaan dat het geen uitzondering is. Het gebeurt overal.’

Hij klikt een bestand open en toont een Excel-document met langere en kortere zwarte balken. Het is een gebruiksscan die ze samen met architectuurstudenten maakten van de 205 lokalen van een universiteitsgebouw.

‘Hier keken we enkel naar gebruik in de tijd, op basis van beschikbare online lessenroosters. Ondertussen hebben we onze methodiek verfijnd, zodat we ook onderbenutting in oppervlakte kunnen berekenen.’

© RE-ST

Een frafische weergave van de zwerfruimte in het schoolgebouw van het Klein Seminarie te Hoogstraten, op basis van het gebruik van de ruimtes. De rode zones zijn de ruimtes die weinig gebruikt werden.

Vekemans verduidelijkt: ‘Een lokaal kan misschien het gros van de tijd gebruikt worden, maar een lokaal voor vijftig personen bezetten met tien is ook een vorm van onderbenutting.’

Gemiddeld blijken de lokalen in het universiteitsgebouw quasi een vierde van de werktijd bezet. ‘Zie je dit?’ Vekemans toont me een foto van de betonnen fundamenten van een uit de kluiten gewassen nieuwbouw. ‘Uit plaatsgebrek wordt er naast het gebouw een nieuwbouw neergepoot. Ook al weten we dat deze universiteitscampus al enkele decennia met de voeten in het natuurlijke overstromingsgebied van een nabijgelegen rivier staat.’

‘Dat is onze business as usual. Omdat we geen gegevens hebben over het werkelijke gebruik van onze gebouwen, geven we miljoenen euro’s uit aan banale nieuwbouwgebouwen. We hebben beheerssystemen voor onze gebouwen uitgedokterd die alles weten over lekken, verluchting, verwarming maar geen informatie hebben over het gebruik van het gebouw. Technisch zijn er allemaal zinvolle eisen, maar het werkelijke gebruik wordt niet gedetecteerd. En dus denkt zo’n facility manager: we hebben dringend meer plaats nodig.’

Minten glimlacht. ‘Iatrogenese. De intentie is goed, het resultaat desastreus.’

‘Waar een wil is, kan een weg weg’

Wat voor gebouwen geldt, geldt ook voor wegen. Aanhoudende files leiden nog steeds tot de pavloviaanse reactie dat meer wegen de oplossing zijn. Maar wegen kunnen chronisch onderbenut en bijgevolg mogelijke overbodig zijn.

Ook hier ontbreken de cijfers om dit netjes af te wegen en uit te rekenen. In opdracht van de Vlaamse overheid werkt RE-ST samen met Voorland en Trage Wegen vzw aan een methodiek om gemeentelijke wegen te ontharden.

‘Waar een wil is, kan een weg weg.’ Vekemans zegt het bij wijze van boutade en grap, maar het was ook de titel van een opiniestuk dat hij in 2018 met mobiliteitsdeskundige Kris Peeters schreef. Opnieuw gaat het over smossen met openbare middelen.

‘We hebben het grootste en meest dichte wegennet van Europa. Dat weegt letterlijk op onze begroting. We betalen ons blauw aan de wegverharding van ons landschap. Maar er is meer dan de monetaire last. Al die wegen zadelen ons op met versnippering van open ruimte en met afwateringsproblemen, en zijn nefast voor een doeltreffend klimaatbeleid.’

‘De lijst van positieve gevolgen van ontharding is lang. Heel wat gemeentewegen zijn er vatbaar voor. Zo leggen we overal fietssnelwegen aan, maar vergeten we te kijken of we die misschien al hebben door bestaande wegen te herbestemmen. En in de ideale wereld geven we wegen terug aan de natuur. Welke wegen kunnen en mogen weg?’

‘Maar ook: hoe buig je de reflex om? Hoe zorg je ervoor dat ont-bouwen en ontrommelen de regel worden? Hoe verbreden we de aanpak van zwerfruimte?’

Geld als glijmiddel

Het zijn de fundamentele vragen waarover RE-ST zich de komende jaren wil buigen. Want hoe logisch hun verhaal ook klinkt, het botst in de praktijk op veel ingesleten gewoontes, maar vooral op ons bijna ingebakken beeld van vooruitgang. Meer, groter, hoger zijn in onze hoofden de synoniemen voor welvaart en beterschap.

‘Hoe maak je van afbreken de weg vooruit?’ zegt Vekemans. ‘Een weg ontharden lijkt achteruitgang. Hoe leg je uit dat we er net beter van worden?’

‘Tot nu hebben we geld altijd als glijmiddel gebruikt’, vult Minten aan. ‘Niet bouwen is besparen. Het levert geld op. Meer en meer verschuiven we de focus naar andere verhalen. Er is de winst voor de biodiversiteit, de natuur, het klimaat. We hebben zo veel te winnen bij opruimen en beter benutten. We hebben nu al meer dan tachtig jaar nodig om alles wat we aan het bouwen zijn straks optimaal te benutten. We hebben het verzadigingspunt al lang bereikt.’

Nog een keer drukt Vekemans op play. Mr. Creosote slikt moeizaam het laatste stukje door. Hij zwelt op en ontploft.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's