Gele hesjes vs Grijpstuivers

Die laaiende hoop stenen, dat is Europa

© Brecht Goris

Geert Van Istendael

En plotseling wisten we allemaal weer wat het was, Europa. Het is niet moeilijk het tijdstip waarop dat inzicht door ons allen heen bliksemde met uiterste nauwkeurigheid vast te stellen. Het was 15 april 2019, kwart voor acht ’s avonds. Plaats: Parijs. Een flakkerende torenspits van 93 meter hoog (te rekenen van op de begane grond) knikte onderdanig en stortte willoos naar beneden.

Verzonk onze eeuwenoude Europese geschiedenis in een vuurzee?

Geen sprake van. De torenspits is anderhalve eeuw oud en daarmee een tijdgenoot van de Brusselse Katelijnekerk. Dit wil niet zeggen dat ze daarom minder waard zou zijn dan antiekere architectuur. Ontwerper was niemand minder dan Eugène Viollet-le-Duc, de Franse grootmeester van de neogotiek en het was niet zijn bedoeling een of andere middeleeuwse toestand getrouw na te bootsen, laat staan te herstellen. Maar dat is voer voor discussies onder kunsthistorici en rekkelijke dan wel precieze architecten.

Die avond van 15 april 2019 heerste alom unanimiteit.

Bij de duizenden toeschouwers op de oevers van de Seine die met eigen ogen de spits zagen neerzijgen, ontspon zich nauwelijks enige discussie. Bij de tientallen miljoenen televisiekijkers in en buiten Frankrijk al evenmin. Frankrijk is berucht voor zijn luidruchtige onenigheden. Democratieën, zeker de Europese, bestaan bij gratie van meningsverschillen, ruzies, conflicten. Die avond van 15 april 2019 heerste alom unanimiteit. Verbijsterde unanimiteit.

De toren van Viollet-le-Duc mocht dan nog stammen uit het tijdvak van fotografie en stoomtrein, de vlammen die hem opvraten, likten daaronder gretig aan eikenhout en kalksteen die wel degelijk eeuwen Europese geschiedenis hadden geduld. In de tweede helft van de twaalfde eeuw gaf de bisschop van Parijs opdracht om een nieuwe kathedraal te bouwen. Parijs telde toen vijftigduizend inwoners. Ten noorden van de Alpen was alleen Gent bij benadering even groot. Kunnen wij ons vandaag voorstellen dat een stadje van vijftigduizend inwoners zo’n kolossaal ding laat oprichten? Dan hebben we het nog niet over de even kolossale tijd die nodig was om de kathedraal te voltooien, tweehonderd jaar. Misschien begint de Sagrada Familia van Barcelona in die buurt te komen. Sinds Antoni Gaudí de opdracht overnam zijn 136 jaar verlopen en nog is zijn basiliek niet af.

De Parijzenaars, de toeristen, de Europeanen, de hele wereld, zij zagen die avond van 15 april 2019, zij begrepen zonder woorden, allemaal hetzelfde: die laaiende hoop stenen, dat is Europa.

Je hoefde niets te weten over het unieke, kurkdroge middeleeuwse gebinte, la forêt, het woud, dat razendsnel verkoolde, je hoefde niets te weten over de schier hemelse roosvensters, recht uit de dertiende eeuw, dertien meter doorsnee, niet minder, het zonlicht door het zuidervenster binnen zien stromen is bijna een mystiek moment, je hoefde niets te weten over de strenge beelden in het westportaal, je hoefde zelfs niet te weten dat Notre-Dame, zoals bijna alle kerken, geoost is, niets, niets, niets hoefde je te weten en toch wist je: dit is Europa.

En mocht je er nog aan twijfelen, de Noord-Amerikanen, de Aziaten, de Latijns-Amerikanen, de Afrikanen peperden het in. Hier brandt de essentie van Europa. Zijn duur. Zijn even wrede als stralende geschiedenis. Ondanks alle verleden smerigheid, zijn grande clarté, als ik hier de woorden van de Belgisch-Frans-joods-katholieke, o zo Europese historicus Gustave Cohen even mag ontlenen.

De jongste tijd hoor je de ene schimpscheut na de andere over de materialistische, hedonistische, oppervlakkige, egoïstische, kortzichtige, laffe, geheugenloze (West-) Europeanen. En evenwijdig met dat schelden hoor je dramatische oproepen om onze fundamentele waarden te vrijwaren en te verdedigen.

(Tussen haakjes, we mogen ook al eens lachen. Een der kampioenen der Europese waarden, Theo Francken, stuurde bij wijze van illustratie het interieur van Notre-Dame de elektronische wereld in, maar dan wel Notre-Dame in Montréal, Canada. Indrukwekkend neogotisch gebouw, de twee torens zien er vooral Brits uit. Ik heb er eens de mis bijgewoond, allerlei koren uit de belle province Québec zongen er fraaie kerkliederen, in het Frans, wat had je gedacht. De akoestiek valt wat tegen, op de vloer ligt linoleum. In Notre-Dame, de vlammende, de Parijse, is Napoleon tot keizer gekroond. In Notre-Dame, Montréal, Canada, is Céline Dion getrouwd. Theo Francken over onze waarden? Zwem toch naar Canada, man. Ook daar wonen nationalisten.)

Weinigen hadden kunnen zeggen wat de Europese waarden nu precies zijn, daar op de oevers van de Seine of voor de miljoen televisieschermen in de miljoenen huiskamers. Maar wij definieerden onszelf – en anderen definieerden ons dwingend – als Europeanen. Woordeloos. Of zingend. Of biddend. Of af en toe een kreet van ongeloof en verslagenheid slakend. En vooral zwijgend. Iedereen was bezig met geschiedenis, traditie, met ons allemaal samen, met heldhaftige brandweerlui, met materie, maar materie die we allemaal deelden en die ons toch oversteeg, met een tijd die we niet hebben meegemaakt, maar die we allemaal in ons dragen, over dozijnen generaties heen, met iets dat niet van ons is en toch helemaal van ons allen en dat we voor geen prijs willen verliezen. En ten onder zagen gaan, onverbiddelijk.

Betaalden de twee grijpstuivers en nog een paar anderen naar behoren belastingen aan de Franse republiek, er zou overvloedig geld beschikbaar zijn voor monumentenzorg. En voor sociale zekerheid. En voor nog een paar andere beuzelarijen.

Ik pijnig er nog altijd mijn hersens over. Spontaan, alsof het de gewoonste zaak ter wereld was, keerden we ons collectief af van onze kwalijkste hedendaagse ondeugden en wendden we ons naar alles wat we hadden weggemoffeld onder dikke speklagen gemakzucht en verwaandheid. Zelfs de dictator amusement kieperden we in de Seine. We lieten zowaar droefenis toe. Ontsteltenis. Stupeur. Ontzag voor het lot dat ons allen trof.

De hulpbronnen spuiten geld. Het komt van kleine spaarders en grote graaiers en alles daartussen.

De olijke tweeling Pinault en Arnault propt een paar honderd miljoen in het offerblok. Fiscaal aftrekbaar of niet, voor beide grapjassen is het niet meer dan zakgeld. Betaalden de twee grijpstuivers en nog een paar anderen naar behoren belastingen aan de Franse republiek, er zou overvloedig geld beschikbaar zijn voor monumentenzorg. En voor sociale zekerheid. En voor nog een paar andere beuzelarijen. U mag zelf invullen wat belastingen naar behoren zoal zouden kunnen zijn. Ik voor mij wil niet onder 70 procent dalen. Op alles wat boven het miljoen per jaar naar hun bankrekeningen vloeit. Als ik het zo herlees, vind ik dat een centrumrechts standpunt. Maar ja, ik ben nu eenmaal nogal tam van karakter.

De gele hesjes hebben op Paaszaterdag woedend betoogd in de straten van Parijs en van vele andere Franse steden. Het is maar al te begrijpelijk qu’ils n’étaient pas amusés. Wensen de gele hesjes dan dat de kathedraal een puinhoop blijft? Niet in het minst. Een van hen zei, als ik een fatsoenlijk inkomen heb, kan ik ook mijn centje storten om Notre-Dame te herstellen. De gele hesjes eisen dat de republiek hun ellende niet vergeet. Geef hun eens ongelijk. En voor het overige, zie hierboven, belastingen naar behoren.

Naar al dat geld kijk ik toch ook met een mengsel van diepe vreugd en milde verbazing. De beduusdheid in Frankrijk en elders overstijgt blijkbaar 15 april en de dagen die er onmiddellijk op volgden.

Na 1815 bestaan plannen om de kathedraal met de grond te slopen. Weg ermee. Dat is vreemd, want Frankrijks machthebbers waren juist toen stijf katholiek.

Het lijkt nu wel alsof Frankrijk zijn grootste, zijn iconische, zijn nationale monument is blijven koesteren door de eeuwen heen, maar dat is niet zo. De Franse Revolutionairen hebben er na 1789 eerst een tempel van de rede en vervolgens een opslagplaats van gemaakt. Deden ze met kerken een beetje in alle streken die ze bezetten, de revolutionairen. Na 1815, bestaan plannen om de kathedraal met de grond te slopen. Weg ermee. Dat is vreemd, want Frankrijks machthebbers waren juist toen stijf katholiek.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Een jonge Franse schrijver, nog niet zo heel erg bekend, hij is pas drieëntwintig, geeft in 1825 een schotschrift uit. Hij protesteert tegen de verwaarlozing van het middeleeuwse patrimonium, uit winstbejag. We moeten de hamer tegenhouden die het gezicht van het land verminkt, schrijft hij. Zijn naam is Victor Hugo. Enkele jaren later publiceert hij in het door de betere standen veel gelezen tijdschrift La revue des deux mondes, een artikel onder de titel: Oorlog tegen de slopers. In 1831 verschijnt zijn grootse roman Notre-Dame de Paris, een enorm succes, tot op heden (naar het schijnt is er sinds vorige week geen enkel exemplaar meer te vinden). Samen met Prosper Mérimée, ook een schrijver (die van Carmen), maar bovendien algemeen inspecteur van de historische monumenten, en met architect Viollet-le-Duc zal hij ervoor zorgen dat de kathedraal niet alleen niet gesloopt, maar ook nog eens hersteld wordt. In ere en stenen hersteld. Dankzij Victor Hugo is de Notre-Dame de nationale kathedraal geworden.

Niet voor niets heeft Generaal De Gaulle in augustus 1944 het Magnificat ter ere van de Bevrijding laten zingen in Notre-Dame. Intussen werd op het voorplein van de kathedraal zijn auto beschoten met mitrailleurs. Door wie, dat weet men tot op heden nog niet.

Een paar jaar na 1831, in een ander land, een land dat we vandaag de dag nauwelijks nog Europees noemen — volkomen ten onrechte trouwens — schrijft in Rusland de volgens mij allergrootste van de grote Russische literatuur, Nikolaj Gogol, zijn Petersburgse verhalen. In die bundel lees ik in het verhaal “Het portret”:

Onze negentiende eeuw heeft al sinds jaar en dag het saaie uiterlijk aangenomen van een bankier die alleen van zijn miljoenen geniet in de vorm van cijfers.
(vertaling Aai Prins)

Negentiende eeuw? Of eenentwintigste eeuw?

Of is er nu plots, na de Parijse ramp, een miniem, nauwelijks waarneembaar, héél erg klein waterkansje dat we die obsessie afschudden?

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.