Voorpublicatie uit “Het boek van Fatima”

Op de vlucht: ‘De rest van de kippen is dood, maar één kip is ontsnapt’

© Davidsfonds

Fatima Noori, Afghaans vluchtelinge in België

Fatima Noori was acht jaar toen ze halsoverkop met haar ouders moest vluchten uit Afghanistan. In het boek dat ze over haar ervaringen schreef, krijgt de lezer een inkijk in haar tocht van Afghanistan naar België. Een voorpublicatie van het tweede hoofdstuk.

Uit de achterflap van het boek van Fatima

Met mijn boek wil ik laten zien dat mensen op de vlucht veel meer zijn dan de stempel die ze krijgen: ‘vluchteling’. We zijn gewoon mannen, vrouwen en kinderen zonder enige hoop, die een nieuw leven willen opstarten. Want vluchten doe je niet zonder reden. En al helemaal niet om elders te gaan profiteren. Je krijgt een inkijk in mijn tocht van Afghanistan naar België en je volgt mee hoe ik een nieuw leven opbouw. Achter elke vlucht zit een verhaal.

Je moet mee

Als je familie arm is, ga je niet naar school, of je nu een jongen of een meisje bent. Je moet gaan werken en geld verdienen voor je gezin. Enkel als je familie genoeg geld heeft, ga je wel naar school, zoals in mijn familie. Mijn broers gingen halve dagen naar school, ofwel een voormiddag ofwel een namiddag.

De meeste mensen in Afghanistan gaan daarna kleine klusjes doen en leren een beroep, of nemen het beroep van hun vader over, bijvoorbeeld houtbewerker, mechanicus, bakker, schoenmaker, metaalbewerker, enzovoort, maar mijn broers bleven wel naar school gaan omdat ze een groter doel voor ogen hadden. Mijn oudste broer wilde dokter worden. Hij studeerde en daarnaast werkte hij in een apotheek. Dat wilde de Taliban niet, want zij zijn tegen leren en wetenschap. Daarom vluchten veel jongens wanneer ze ongeveer zestien of zeventien jaar zijn.

De oorlog kwam steeds dichterbij en werd steeds erger. In mijn dorp begon het onveiliger en onveiliger te worden. Elke dag gingen er wel meer dan tien mensen dood. De dorpen in de vallei werden gebombardeerd. Het waren net aardbevingen. Soms hoorden we schoten. Mensen verdwenen en bleven vermist.

Toen vertrok mijn papa met mijn oudste broer uit het dorp zonder me een uitleg te geven. Op dat moment overviel me een raar gevoel. Ik voelde dat er iets ergs zou gebeuren. Ik stelde vragen aan iedereen, maar kreeg van niemand antwoord. Ik mocht ook niet naar buiten, of de deur openen als er iemand aanklopte. Na een maand kwam mijn papa terug zonder mijn oudste broer.

Een week later, toen mijn papa ’s avonds thuiskwam van ergens in het dorp, was hij bleek en heel gehaast. Ik weet nog steeds niet wat er toen was gebeurd. Hij zei tegen mama: ‘Neem nu je geld en juwelen!’ Tegen mijn broer, zus en mij riep hij: ‘Haal jullie schoenen, we moeten nu vertrekken!’

Ik kon de paniek van zijn gezicht aflezen. We zijn vertrokken zoals muizen die van een kat weglopen. Er was zo weinig tijd dat we zelfs niet konden nadenken over wat we zouden meenemen, maar wat ik zeker wist, was dat ik mijn boekje niet zou achterlaten. Ik kon geen enkele vraag stellen.

Het boekje gaf me steun en was een vertrouwde plek waar ik naartoe kon gaan om uit het moment te stappen en veilig te zijn. Het was van mij en niemand anders kon eraan.

Ik wist niet wat ik moest doen of denken. Waarom gaan we weg? Kom ik morgen terug? Waar ga ik naartoe, en met wie? Wie gaat er weg? Is dit echt? Is dit een nachtmerrie of een droom? Gaan we het overleven? Duizenden vragen zonder een antwoord. Ik wist niets meer. Iedereen was in paniek. Mijn mama en zus waren aan het huilen, mijn broer kon niet ophouden met beven.

Ik wist niet welk gevoel ik had, maar ik bleef positief denken en hopen dat alles goed zou komen. Aan de ene kant was ik blij omdat ik wegging van de oorlog, maar aan de andere kant ook bang omdat ik niet wist waar ons pad zou eindigen. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat we er niet meer waren geweest als we nog vijf minuten langer waren gebleven.

Die nacht reden we naar de hoofdstad Kaboel. De angst bleef ons achtervolgen. In Kaboel kwam een smokkelaar ons halen. Die zou ons naar Pakistan brengen. We moesten in een auto, of moet ik zeggen in een minibus, gaan zitten. Het begon al een beetje lichter te worden toen we bij een huis kwamen. Dat was echt vies, een leeg huis vol stof en afval. Daar moesten we wachten, samen met nog veel andere mensen.

Het was een soort overgangshuis waar we twee dagen bleven. We konden er warme jassen en schoenen kopen. Wekenlang werden we door smokkelaars van het ene vieze huis naar het andere gebracht, tot we in Pakistan aankwamen, in een oud huis dat helemaal kapot was. Het had geen dak en de muren waren ook stuk. Er was geen toilet en het stonk. Daarom sliepen we tussen de bomen in de tuin. Ik was echt heel bang en de rest ook, maar niemand liet dat zien.

Terwijl de anderen gingen slapen, pakte ik stiekem mijn boekje en begon te schrijven. Hoewel mijn zinnen nergens op sloegen, schreef ik gewoon aan wat ik dacht. Ik beschreef hoe de omgeving eruitzag, hoe ik me voelde, schreef over mijn angsten, dat er iets met ons zou gebeuren.

Ik had duizend vragen en wist niet waar het zou eindigen, maar het boekje gaf me steun en was een vertrouwde plek waar ik naartoe kon gaan om uit het moment te stappen en veilig te zijn. Het was van mij en niemand anders kon eraan. Het leek alsof het boekje een persoon was die met me sprak, me motiveerde. Het was een manier om vol te houden, om me betere tijden in te beelden en mezelf te herinneren aan mijn dromen.

Op die plek bleven we twee weken. We mochten niet naar buiten en kregen meestal enkel een stuk oud brood met yoghurt om te eten. Voor de rest niets.

Daarom stelde mijn papa aan de smokkelaars voor om wat ingrediënten te brengen zodat we zelf konden koken. De smokkelaars gingen akkoord op voorwaarde dat ze meer geld kregen. Ze brachten de nodige spullen en ingrediënten, maar heel beperkt. Toen heeft mijn papa gekookt. Het was niet perfect, maar beter dan niets. Zo hadden we na lange tijd eindelijk nog eens iets fatsoenlijks te eten.

De grenzen van Iran waren zwaar beveiligd omdat het de maand van Muharram was, dus konden we pas na twee weken verder gaan. Een smokkelaar kwam ons halen en bracht ons naar de woestijn nabij de Pakistaanse bergen om te voet Iran binnen te raken. Elke keer als we onderweg een controle of politie tegenkwamen, waren we heel erg bang dat ze ons zouden terugsturen.

We zijn de hele reis heel dikwijls dicht bij de hemel gekomen, maar konden gelukkig altijd weer verder. Het leek of de smokkelaars met ons speelden als met een voetbal. We werden doorgegeven van de ene enge man met een lange baard aan de andere enge man met een lange baard. We waren ongeveer met vijftig, echt veel. De smokkelaars zeiden: ‘Na een paar uren stappen zijn jullie over de grens van Iran.’

Toen de zon hoog aan de hemel stond, vertrokken we te voet de bergen in. In het begin was het gemakkelijk, maar het werd moeilijker. Hoe hoger we klommen, hoe enger het werd en hoe minder plek we hadden om te stappen. Het begon al donker te worden. Iemand vroeg aan de smokkelaar: ‘Zijn we er nog niet? Hoe lang moeten we nog stappen?’ De smokkelaar zei: ‘Nog even, dan zijn we er.’ Het werd donker en we konden amper zien. Iedereen was moe. Toen zei iemand tegen de smokkelaar: ‘Mogen we even rusten?’ Hij zei: ‘Neen, maar als je hier wil blijven voor de rest van je leven, mag het van mij.’

Na een paar uur konden we niet meer stappen, vooral mijn mama en mijn kleine zus niet. We waren allemaal uitgeput. Niet alleen wij, maar de hele groep. Mijn mama kon gewoon niet meer stappen en klimmen. We smeekten de smokkelaar om een korte pauze. Na veel smeken mocht dat dan. Dan nam mijn mama een pijnstiller en zaten we op de top van een berg. Naar beneden kon je beter niet kijken, want de bergen waren echt hoog. Als je viel, kwam niemand je helpen.

Ik was echt bang. Het enige mooie waren de sterren. Die leidden me af van al die gedachten. Ik dacht na over waar we zouden eindigen. Ik was ontzettend bang, bezorgd en moe en ik had echt honger, maar ik zei niets, want de anderen hadden waarschijnlijk hetzelfde. Daarom wilde ik positieve energie geven, of dat probeerde ik tenminste.

Na tien minuten zei de smokkelaar: ‘Kom we gaan vertrekken.’ Iedereen pakte zijn zaklamp en begon te stappen.

We hebben de hele nacht niet geslapen. Mijn broer ging mijn ouders helpen en ik hielp mijn kleine zus. We hebben geklommen en gestapt. Hoe verder we gingen, hoe moeilijker het werd. Het was echt zwaar, de berg op, de berg af. Ik was echt moe en mijn kleine zus kon niet meer stappen. Daarom zei mijn broer: ‘Geef haar maar aan mij. Jij kan haar niet meer mee sleuren.’

Hij nam mijn kleine zus op zijn rug. Het begon al licht te worden en de wegen van de bergen werden dunner en dunner. We hadden alle spullen die we bij hadden, weggegooid omdat we niet meer konden wandelen. Het was ook super warm in Pakistan. Iedereen had honger en dorst.

In de verte zagen we een paar mannen onze kant op komen. In het begin dacht de smokkelaar dat het slechte mannen waren, maar toen ze dichterbij kwamen, bleken het vrienden te zijn. Ze verkochten water en eten. Papa gaf hen snel geld en kocht een paar flesjes water en ook wat koekjes. We moesten meteen weer verder.

‘De rest van de kippen is dood, maar één kip is ontsnapt.’
Ik dacht, wat zegt hij nu?

Op een bepaald moment werd het pad een richel, even smal als een voetstap. We moesten ons aan de berg vasthouden en heel rustig wandelen. Er vielen stenen naar beneden. De berg was mega hoog. Zo hoog dat je de grond niet zag, het was gewoon een zwarte diepte. Sommige stukken van het pad waren afgebrokkeld.

Als je niet goed oplette, kon je elk moment vallen. Het was echt spelen met je leven. Mijn broer deed mijn kleine zus van zijn rug en ging voor, dan mijn mama, dan mijn papa, dan mijn kleine zus en als laatste ik. De smokkelaar zei: ‘Je moet tegen de berg leunen zodat je niet naar voren valt.’ Mijn papa en ik hielden de handen van mijn kleine zus vast en zo wandelden we heel voorzichtig verder.

We waren al vierentwintig uur aan het stappen. Na de middag kwamen we eindelijk aan het einde van de bergen. Het leek een woestijn. Er kwamen mannen met scooters naar ons toe. We moesten met vijf op één scooter. Mijn mama, mijn kleine zus, mijn jongste broer en ik met de chauffeur van de scooter. Papa ging met een paar anderen op de andere scooter. Ze reden echt heel snel met de scooters.

We waren met te veel. Op een bepaald moment viel er een jongen van een van de scooters. Het was vreselijk. We riepen: ‘Ga hem helpen’, maar niemand deed iets, want ze hoorden de politie. Toen reden we verder. De politie had de scooter van mijn papa gezien. We gingen ons tussen de struiken onder een boom verstoppen. Nog twee andere scooters met mensen erop kwamen zich ook daar verstoppen. We zaten daar ongeveer twee uur.

De auto van de politie reed een paar keer voorbij, maar we waren goed verstopt. Dan zei een van de smokkelaars: ‘We zijn dicht bij de grens van Iran en ik wil niet dat ze ons pakken, dus iedereen blijft stil.’ Terwijl hij tegen ons aan het praten was, ging zijn gsm af. Nadat hij ophing, zei hij tegen een andere smokkelaar: ‘De rest van de kippen is dood, maar één kip is ontsnapt.’ Ik dacht, wat zegt hij nu? Tegen ons zeiden ze: ‘Komaan, we gaan vertrekken.’

Mijn jongste broer zei: ‘En mijn vader dan? Waar is hij?’ De smokkelaar antwoordde: ‘Die komen later wel.’ Mijn mama zei zachtjes tegen mijn jongste broer: ‘Waarschijnlijk hebben ze hen gepakt.’ Ik was heel hard geschrokken. Ik zei zachtjes de soera’s die ik uit mijn hoofd kende op en vroeg Allah om hulp.

Ineens hoorden we scooters aankomen. Eerst dachten we dat het de politie was, maar dan hoorde ik de stem van mijn papa. Ik was megablij, mijn papa leefde nog.

***

U las het tweede hoofdstuk uit Het boek van Fatima

Het boek van Fatima, een stem tegen de stilte werd geschreven door Fatima Noori en is een uitgave van Davidsfonds Infodok. 128 blz. ISBN 9789002274350
(beschikbaar vanaf 2 november)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift