Turkije zet machtsverhoudingen in woelige regio op scherp

‘Onze koffers staan klaar’: dreigt een nieuw Turks grondoffensief in Syrië?

© Khalil Ashawi / Reuters

Intern ontheemde vluchtelingen uit de noordwestelijke stad Afrin in 2020. Turkije viel in 2018 dit deel van Syrië binnen, de stad staat sindsdien onder Turkse controle.

Toen Istanbul op 13 november werd opgeschrikt door een bomaanslag, waren de Turkse autoriteiten er als de kippen bij om de Koerdische Arbeiderspartij PKK als schuldige aan te wijzen. Nauwelijks een week later voerde Turkije bombardementen uit op Koerdische doelwitten in het noorden van Syrië en Irak. De militaire operatie hing al een tijdje in de lucht, zo stelde Midden-Oosten-expert Willem Staes ter plaatse vast.

April 2022. Het witte busje draait de bocht om en schiet een smalle weg in, omzoomd door hekken en olijfbomen. We rijden een open vlakte op. Het busje maakt een laatste draai naar rechts. In de verte, aan de overkant van de machtige Tigris-rivier, doemt Syrië op.

We rijden langzaam en behoedzaam over een krakkemikkige noodbrug. Voor ons wappert een reuzegrote blauw-gele vlag van de Syrische Koerden, achter ons de rood-wit-groene vlag van de Iraakse Koerden. Het is nog maar 10 uur ’s ochtends, maar de zon brandt al genadeloos. Achter de okerkleurige heuvels die voor ons liggen begint Noordoost-Syrië. Obeid, onze lokale fixer, wacht ons er op.

De slag om Baghouz

In de zomer van 2014 heeft de terreurbeweging Islamitische Staat grote stukken van Syrië en Irak in handen. Maar het zogenaamde kalifaat zal niet lang standhouden. Onder leiding van de Verenigde Staten begint een internationale coalitie vanaf 2015 aan de herovering van het gebied. Samen met de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), een coalitie van Syrische Koerden en Syrisch-Arabische ­rebellen, brengt ze de terreurbeweging flinke klappen toe. In de heroverde gebieden installeren de Syrische Koerden de Autonome Administratie van Noordoost-Syrië. In maart 2019 valt het laatste bolwerk van Islamitische Staat: het stadje Baghouz, in Oost-Syrië.

We begroeten elkaar uitgebreid en zetten koers naar Obeids geboortedorp, in het explosieve grensgebied met Turkije. In oktober 2019 viel het Turkse leger Noordoost-Syrië binnen, nadat toenmalig Amerikaans president Donald Trump had aangekondigd om de Amerikaanse troepen gedeeltelijk uit het gebied terug te trekken. Na twee weken werd een staakt-het-vuren afgekondigd.

Sindsdien bezet Turkije een landstrook tussen de steden Ras al-Ain en Tal Abyaad. De naar schatting 2000 Amerikaanse soldaten zouden later terugkeren. Geregeld staan ze oog in oog met Russische troepen, die eind 2019 ontplooid werden als buffer tussen Turkije en de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), een coalitie van Syrische Koerden en Syrisch-Arabische ­rebellen.

Vandaag zit de schrik voor een “Afghanistan-scenario” er nog altijd goed in. In Noordoost-Syrië vrezen heel wat mensen voor een abrupt vertrek van de Verenigde Staten, gevolgd door een nieuwe Turkse inval. Ondertussen hergroepeert de terreurbeweging Islamitische Staat zich in de woestijn, en ligt het Syrische regime op de loer om van de chaos gebruik te maken om zijn controle over het gebied te herstellen.

Erdogans gewenste bufferzone

Grote delen van de weg naar Obeids geboortedorp lopen langs de grens met Turkije. Veel huizen aan de Syrische kant bevinden zich op nauwelijks 100 meter van de grensmuur. Die is overigens niet bepaald indrukwekkend: op sommige stukken kijk je zo Turkije binnen. Iets verderop zit een Turkse grenswachter in een wachttoren, zichtbaar verveeld.

De weg slingert verder door het bruingroene landschap. In de verte duikt de stad Darbasiyah op, op minder dan een uur rijden van de Turkse bezette zone tussen Ras al-Ain en Tal Abyaad. Op het eerste gezicht is de stad zwaar getroffen door de oorlog; de meeste gebouwen hebben het kenmerkende skeletachtige voorkomen van een ravage. Maar als we dichterbij komen, blijkt dat de gebouwen maar half afgewerkt zijn.

Voor 2019 was Darbasiya een relatief welvarende stad, legt Obeid uit. Er was zelfs sprake van een bescheiden bouwdrift. Dat veranderde in oktober 2019, toen de meeste eigenaars van de gebouwen op de vlucht sloegen.

De weinigen die terugkeerden, denken vandaag twee keer na om nog geld te investeren in de afwerking van hun gebouw. Zeker omdat ze beseffen dat Darbasiya wellicht in de vuurlinie ligt, mocht het ooit tot een nieuwe Turkse invasie komen.

‘Dat is niet zomaar speculatie,’ vertelt Obeid. ‘De Turkse president Recep Tayyip Erdogan heeft al verschillende keren duidelijk gemaakt dat hij zijn bufferzone wil uitbreiden tot aan de grens met Irak.’ Obeid toont ons een foto van Erdogan die vanaf het beroemde azuurgroene spreekgestoelte van de Verenigde Naties zijn plannen ontvouwt voor de beoogde bufferzone. Daarin is Darbasiya volledig opgenomen.

‘Onze koffer met kledij en documenten staat klaar. Als de Turken opnieuw aanvallen, vertrekken we onmiddellijk.’

‘Een nieuwe Turkse aanval zal wellicht hier beginnen.’ Hij wijst achteloos naar een poort in de grensmuur, op nauwelijks vijftig meter van de weg waar we even pauzeerden. Achter de poort wappert een immens grote Turkse vlag. ‘Eerst zullen ze de stad bestoken, vervolgens zullen ze de poort openen om Turkse soldaten en militieleden het gebied te laten innemen.’

Over een hobbelig landbouwweggetje rijden we Obeids geboortedorp binnen. Het lijkt wel alsof de tijd hier stil heeft gestaan. Er heerst een doodse stilte in het dorp. Hier en daar loopt een verdwaalde kip rond tussen de okerkleurige en roodachtige huizen van leem en modder. ‘Zie je dat huis daar? Verlaten. Dat huis? De eigenaars zijn naar Noord-Irak gevlucht. Dat huis daar? Gevlucht naar Turkije. Ah, en de mensen van dat huis? Die zijn nu in Duitsland.’

Obeid neemt me mee op een korte wandeling door het dorp. Echt opbeurend is het niet. We groeten een oudere man die voor zijn huisje zit. Obeid zucht. ‘Jongeren zijn er niet meer, die zijn allemaal vertrokken.’ Dan passeren we het huis van zijn nonkel Seyyed*. De ontvangst is hartelijk. Seyyed vertelt dat een van zijn zonen er onlangs in slaagde de grensmuur over te steken.

Uit angst voor nieuwe Turkse agressie, vluchten mensen recht in de handen van de agressor? Seyyed knikt. ‘Mijn zoon is nu in Istanbul, waar hij samen met een groep jongeren uit het dorp zijn kans afwacht om Europa te bereiken. In Turkije blijven is geen optie, als je ziet hoe Syriërs daar tegenwoordig worden behandeld.’

Seyyed vertelt hoe smokkelaars ook aan deze kant van de grens een lucratief handeltje hebben opgezet. Hoe ze de juiste weersomstandigheden afwachten om mensen te helpen om over de grensmuur te klimmen. Aan de Turkse kant wacht vervolgens een andere smokkelaar, die de “gelukkigen” verder op weg zet.

Maar niet iedereen heeft evenveel geluk. De oversteek is levensgevaarlijk. De Turken schieten met scherp, zelfs als je al over de muur bent geraakt. Ze gooien het lichaam gewoon over de muur, terug naar Syrië, aldus Seyyed.

Ook Seyyed woonde enkele jaren in Turkije. Door het vijandige klimaat daar keerde hij terug naar zijn geboortedorp. Hij legt uit hoe hij er niet in slaagde om met zijn gezin tijdig opnieuw te vluchten naar Turkije. Nadat Turkije in oktober 2019 het dorp onder vuur had genomen, vluchtten Seyyed en vele andere dorpelingen naar de Syrische stad Hasakah. En zoals de meeste mensen keerden ze na twee maanden terug.

De dreiging van een nieuwe aanval hangt als een donkere schaduw boven het dorp, zegt hij. ‘Onze koffer met kledij en documenten staat klaar, we zijn voorbereid. Als de Turken opnieuw aanvallen, vertrekken we onmiddellijk. En ditmaal om niet meer terug te keren.’

Spoor van vernieling

We rijden verder naar Qamishli, in het noordoosten van Syrië. De door Koerdische strijders gecontroleerde stad werd in 2019 door bomexplosies opgeschrokken. Daarbij vielen zeker 5 doden en 26 gewonden. We praten met Farhan*, een Syrische Koerd die in oktober 2019 vluchtte uit zijn thuisstad Ras al-Ain. Meer dan 200.000 mensen sloegen die maand op de vlucht, onder wie ook 18.000 Syriërs die naar Iraaks-Koerdistan trokken.

Het was niet de eerste keer dat Farhan en zijn gezin moesten vluchtten. Eind 2012 kwam Ras al-Ain onder controle van de jihadistische rebellen van het toenmalige al-Nusra Front (een aan al-Qaida gelieerde gewapende groepering, red.), waarna Farhan en zijn gezin naar Turkije trokken. Nadat de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) in 2013 de stad hadden heroverd, keerde Farhan in 2014 terug.

Dat leek aanvankelijk een goede beslissing. De veiligheidssituatie was redelijk stabiel. Hij kon een nieuw huis bouwen. Er was een bescheiden economische heropleving. Intern ontheemde Syriërs keerden langzaamaan terug, legt Farhan uit. Ook toen de Turkse oorlogsretoriek vanaf eind 2018 crescendo ging, was Farhan er gerust op. Erdogan blufte. Hij had al zo vaak gedreigd. De Amerikanen – die vlak bij de stad een militaire basis hadden – zouden er desnoods wel een stokje voor steken.

Zelfs toen Farhan op 8 oktober, nauwelijks 24 uur voor de aanval, een Amerikaans konvooi de stad zag verlaten, bleef hij optimistisch. Turkije zou niet aanvallen. Farhan vertelt hoe hij op de dag van de inval, in de vroege namiddag, een telefoontje kreeg van een vriend: ‘Ben je nog altijd in de stad? Maak dat je wegkomt. Ze kunnen elk moment aanvallen.’

Farhan pauzeert even en haalt diep adem. ‘Toen begon voor ons de oorlog en sloegen we op de vlucht.’

‘Ik zal de Verenigde Staten nooit meer vertrouwen, maar als de Amerikanen vertrekken zal Turkije het land opnieuw binnenvallen.’

Farhan en zijn gezin grabbelden zo veel mogelijk spullen bijeen. Terwijl de eerste Turkse gevechtsvliegtuigen Ras al-Ain onder vuur namen, sprongen ze in een taxi naar Tal Tamr, zo'n 40 kilometer verderop.

‘De weg was overvol. Ellenlange files. Iedereen vluchtte tegelijk, de meesten gewoon te voet. Omdat we bang waren voor bombardementen en sluipschutters op de hoofdweg probeerden we de stad te bereiken via kleinere sluipwegen’, blikt Farhan terug op die eerste bange uren.

Vanuit Tal Tamr trokken ze na enkele dagen verder naar het grotere Hasakah, waar ze tijdelijk onderdak vonden bij familie. Begin 2020 verkasten ze naar Erbil, de hoofdstad van Iraaks-Koerdistan. Hun verblijf daar was van korte duur. Een tijdje geleden keerden Farhan en zijn gezin terug naar Qamishli.

In tegenstelling tot Farhan en zijn gezin trokken veel mensen nooit verder dan Tal Tamr. Ze waren er nog steeds rotsvast van overtuigd dat ze snel konden terugkeren naar hun geboortestad, vertelt Farhan.

Maar in de eerste weken na de invasie waren strijders van het Syrische Nationale Leger, een bonte verzameling van door Turkije gesteunde milities, Ras al-Ain binnengedrongen. Ze trokken een spoor van vernieling door de stad en verhinderden mensen om terug te keren.

‘De strijders plunderden onze huizen, namen onze eigendommen in beslag, en arresteerden en mishandelden de achtergebleven inwoners. Als je via Google Earth beelden bekijkt van voor en na de bezetting, kan je goed zien hoe de milities de hele stad hebben veranderd’, foetert Farhan.

Zijn beschrijvingen komen sterk overeen met wat de VN-onderzoekscommissie voor Syrië later zou rapporteren. Minutieus legt Farhan uit hoe de milities een angstklimaat creëerden. Dat zorgde ervoor dat weinig mensen durfden terug te keren.

Farhan steekt nog een sigaret op en zucht. Hij legt uit hoe de snelle “Turkificatie” de demografie van Ras al-Ain ingrijpend heeft veranderd. De overwegend Koerdische ontheemden kunnen niet terugkeren, terwijl niet-Koerdische intern ontheemde Syriërs uit andere delen van Syrië er worden hervestigd.

Dat past volgens Farhan in een breder beleid om de Koerdische cultuur en geschiedenis van Ras al-Ain uit te wissen. Koerdische symbolen worden vervangen door de Turkse vlag, en in de scholen wordt een nieuw en Turks schoolcurriculum opgelegd.

Als we hem vragen naar zijn toekomstplannen, briest hij: ‘Terugkeren naar Ras al-Ain? Alleen als alle milities zijn vertrokken. Wat had je gedacht?’ Terwijl we ons stilaan klaarmaken om te vertrekken, werpen we nog op dat in Europa sommige mensen vinden dat het vertrek van de Amerikanen een eerste noodzakelijke stap is voor vrede en stabiliteit in Noordoost-Syrië.

Farhad kijkt me met grote ogen aan. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik zal de Verenigde Staten nooit meer vertrouwen. Het is duidelijk dat ze hier alleen zijn om hun eigen belangen te beschermen en voor de strijd tegen Islamitische Staat. Niet om mensen zoals ik te beschermen. Maar toch hoop ik dat de Amerikaanse soldaten blijven, want als ze vertrekken zal Turkije mijn land opnieuw binnenvallen.’

Meer dan al-Hol

We rijden verder naar Serekaniye, een kamp voor intern ontheemden (IDP of voluit: Internally Displaced People), op een boogscheut van de stad Hasakah. Het kamp biedt opvang aan ongeveer 8500 mensen. Ze zijn allen afkomstig uit Ras al-Ain. Ze sloegen op de vlucht voor de Turkse bommen die in oktober 2019 dood en vernieling zaaiden in hun geboortestreek. In totaal telt Noordoost-Syrië 700.000 intern ontheemde personen. Dat is een kwart van de totale bevolking in het gebied.

Bestorming gevangenis

Eind januari 2022 bestormen honderden militanten van Islamitische Staat de al-Sinaa-gevangenis, nabij de stad Hassakah. Het is de grootste operatie van de terreurgroep sinds de val van het zelfbenoemde kalifaat, in 2019. Met de aanval hopen de militanten de ongeveer 4000 gevangenen te bevrijden.

Het duurt maar liefst tien dagen voordat de Syrische Koerden, met de hulp van Britse en Amerikaanse speciale eenheden, de controle over de gevangenis opnieuw in handen hebben. Meer dan 500 mensen, voornamelijk IS-strijders, worden gedood. Veel IS-gevangenen maken van de chaos gebruik om te ontsnappen.

Volgens de Verenigde Naties moeten zo’n 45.000 inwoners van Hasakah de stad verlaten. Velen van hen komen daardoor ook in gebieden terecht die het Syrische leger controleert, waarmee de Syrische Koerden ook in conflict liggen.

In een van de tenten in het kamp is een groepje kinderen aan het spelen. De cd-speler hapert even. De sociale werker morrelt wat aan het toestel, en wanneer de muziek opnieuw begint te spelen, slaken de kleine kinderen een zucht van opluchting. Ze springen recht, klaar om de ingestudeerde danspasjes nauwgezet uit te voeren. Een kwartslag naar links, een naar rechts, een pirouette.

De kinderen lijken de tijd van hun leven te hebben in de “kindvriendelijke ruimte”. Hier hoeven ze niet te denken aan de oorlog en kunnen ze weer even kind zijn: spelen, dansen, tekenen, televisiekijken, muziek luisteren.

Serekaniye is een van de “informele” IDP-kampen in het noordoosten van het land. Dat betekent dat de internationale hulpmachine ze grotendeels links laat liggen. Ook donorlanden besteden hun geld en aandacht liever aan de “formele” kampen van al-Hol en al-Roj. Daar verblijven de meeste gezinnen die afkomstig zijn van de gebieden die in de nadagen van het kalifaat op Islamitische Staat heroverd werden. Ook huisvesten ze de buitenlandse IS-moeders en –kinderen die westerse landen weigeren terug te nemen.

‘De Verenigde Naties? Ze erkennen de informele kampen niet, het laat hen koud.’ Het zit de medewerkster van een lokale ngo duidelijk hoog. Zelf werkte ze verschillende jaren voor een grote internationale ngo, maar ze klinkt erg gedesillusioneerd over de manier waarop het internationale hulpsysteem werkt.

‘Mijn tweejarige zoon denkt dat de buurman zijn papa is.’

Dat de kritiek van de medewerkster niet zomaar uit de lucht gegrepen is, bevestigt een internationale hulpverlener in de stad Derek, aan de grens met Noord-Irak. ‘De Verenigde Naties steunen inderdaad alleen een aantal formele IDP-kampen,’ zegt hij. ‘Maar de informele kampen of de IDP’s die buiten de kampen leven, blijven grotendeels in de kou staan.’

Dat heeft verschillende redenen, meent de hulpverlener. In de eerste plaats is het coördinatiesysteem gebrekkig. Daarnaast moet het regime-Assad toestemming geven voor alles wat de Verenigde Naties in de kampen willen doen. En natuurlijk is er ook een steeds groter gebrek aan middelen. ‘Veel donoren doen graag alsof al-Hol het enige kamp is in Noordoost-Syrië’, klinkt het.

Hoe het leven is in Serekaniye? ‘Hard’. Fatma staart wezenloos voor zich uit. Al het leven lijkt weggezogen uit deze vrouw van middelbare leeftijd en moeder van acht kinderen. Ze is afkomstig uit het platteland rond Ras al-Ain en ook zij sloeg op de vlucht voor de Turkse bommen. Blootsvoets, zonder bagage en papieren.

De vlucht heeft sporen nagelaten, dat is duidelijk. ‘We sliepen twee dagen in de openlucht. We hadden geen voedsel voor de kinderen. Dag en nacht waren er bombardementen. Het hield niet op.’ Uiteindelijk bereikte het gezin Hasakah, waar het anderhalf jaar in een geïmproviseerde opvangplaats in een schoolgebouw leefde.

Veel steun was er niet, zegt Fatma. ‘De internationale ngo’s kwamen daar niet, die waren zelf gevlucht voor de Turkse aanval. Gelukkig kregen we af en toe steun van een lokale ngo.’ Aan terugkeren denkt de vrouw niet: de schrik voor de door Turkije gesteunde milities zit er stevig in.

Een jaar geleden verhuisde het gezin naar het kamp, vertelt Fatma. Maar dat is geen lachertje. Haar echtgenoot liet haar in de steek en hertrouwde met een andere vrouw. De twee wonen in een ander kamp. Naar zijn kinderen kijkt de man niet langer om.

Die kunnen nochtans wel wat aandacht gebruiken. Opgroeien in een kamp legt een enorme psychologische druk op de kinderen, jammert Fatma. En bovendien lijden de kinderen enorm onder het gebrek aan een vaderfiguur.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

‘Mijn tweejarige zoon denkt dat de buurman zijn papa is. Mijn dochter zegt dat ze nooit wil trouwen. Ze is erg gemotiveerd om te studeren om aan dit alles te ontsnappen. Maar in het kamp is er geen enkele school.’

Fatma doet het allemaal op een monotone, krachteloze manier uit de doeken. ‘Mijn twee oudste dochters zijn pubers. Ik wil niet dat ze alleen rondlopen in het kamp, zeker niet ’s nachts, ik zou het mezelf nooit vergeven als ze seksueel misbruikt worden.’

Fatma’s ogen lichten een beetje op als ze wijst naar de tent waar de kinderen nog altijd luid aan het zingen en dansen zijn. ‘Gelukkig zijn er nog dat soort plaatsen. Mijn zoon is er nu ook aan het spelen. Voordat hij er ging was hij erg agressief. Nu is hij veel liever en kan hij zich veel beter focussen. Stel je eens voor: tot voor kort wist hij niet eens hoe hij een tekening moest maken.’

Willem Staes is medewerker Midden-Oosten bij 11.11.11. Hij werkt momenteel, in eigen naam, aan een boekproject: “Niemandsland. Een reis dwars door de Syrië-regio”.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 2836   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift