Verlies felbevochten regio is bittere pil voor Armeense grensbewoners

Een jaar na de wapenstilstand in Nagorno-Karabach: ‘De oorlog is nooit gestopt’

© Marijn Sillis & Roel Nollet

Op het militaire kerkhof Jerablur, in de Armeense hoofdstad Jerevan, wapperen honderden Armeense vlaggen in de wind.

Een jaar na de oorlog om Nagorno-Karabach blijven de Armeniërs verweesd achter. Azerbeidzjaanse soldaten hebben zich aan de grens geposteerd, de grensbewoners in de ruige Armeense bergen zijn doodsbenauwd. ‘Ik voedde mijn zoon niet op om een martelaar te worden.’

‘Nog nooit zag ik zoveel stoere mannen huilen’, zegt de vijfendertigjarige Gevorg in zijn kleine woonkamer in de Armeense hoofdstad Jerevan. ‘Het zogenaamde vredesverdrag tussen Azerbeidzjan en Armenië was een vernedering. Met één handtekening verraadde de regering het Armeense volk en leger. Met één pennentrek ging een deel van ons mooie land verloren en maakten we onze vijand sterker dan ooit.’

Steunend op zijn krukken komt Gevorg overeind. Toen de oorlog vorig jaar uitbrak, vertrok hij vrijwillig naar het front in Nagorno-Karabach. Na de wapenstilstand stapte hij op een mijn, terwijl hij de nieuwe grens in de provincie Sjoenik bewaakte. Maandenlang zaten er ijzeren pinnen in zijn been, vandaag draagt hij een brace. Met zijn voet komt het nooit meer goed.

In zijn slaapkamer haalt de man zijn uniform uit de kast. ‘Voor buitenstaanders lijkt het alsof de oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan voorbij is. Maar het tegendeel is waar. We zijn stukken van Artsakh (de Armeense naam voor Nagorno-Karabach, red.) en de omliggende bufferzones verloren. Azerbeidzjaanse soldaten hebben zich aan de grens met onze zuidelijke provincie Sjoenik geposteerd, de situatie kan elk moment escaleren. En dan zal ook ik opnieuw vertrekken.’

Spanning sinds de Sovjets

Nagorno-Karabach: veel meer dan wat uitgestrekte berglandschappen is het niet. Toch is het gebied al dertig jaar lang een twistpunt tussen Armenië en Azerbeidzjan. Toen de Sovjet-Unie uit elkaar viel, kookte de situatie ten zuiden van de Kaukasus over. Georgië, Armenië en Azerbeidzjan riepen de onafhankelijkheid uit. Vanwege Nagorno-Karabach kwamen de laatste twee lijnrecht tegenover elkaar te staan. Tijdens het Sovjetbewind werd de regio bij Azerbeidzjan gevoegd, maar de etnische Armeniërs die er woonden zagen dat anders.

Van 1988 tot 1994 woedde de eerste oorlog om het betwiste berggebied. De Armeniërs wonnen de strijd. Er kwam een wapenstilstand, maar geen vredesakkoord. De inwoners van Karabach beschouwden zichzelf als inwoners van een onafhankelijke republiek. Armenië erkende de regio niet als dusdanig, maar pronkte graag met de Armeense overwinning en aanwezigheid. Azerbeidzjan rouwde om het illegaal bezette gebied.

‘We moeten hier blijven, om deze historische momenten vast te leggen. Want onze natie, onze cultuur en ons land zijn in gevaar.’

Drie decennia lang waren er regelmatig schermutselingen aan de frontlijn. In 2016 flakkerde het geweld op. De vierdaagse oorlog bleek een opwarmertje voor de grote clash van vorig jaar. Op 27 september 2020 vielen de eerste Azerbeidzjaanse bommen op Nagorno-Karabach. In zes weken tijd sneuvelden aan beide kanten meer dan 5000 soldaten. Een veelvoud raakte gewond, tienduizenden burgers sloegen op de vlucht. De Kaukasus kende opnieuw oorlog.

Azerbeidzjan – dat de opbrengsten van gas en olie consequent in zijn leger investeerde – nam met de steun van Turkije de bovenhand. De Europese Unie bleef afzijdig. Rusland en Turkije onderhandelden in hun achtertuin een vredesakkoord. Armenië werd gedwongen een pijnlijk vredesverdrag te ondertekenen.

De niet-erkende republiek Artsakh verloor een deel van haar grondgebied. De omliggende bufferzones die onder controle van het Armeense leger stonden, werden overgedragen aan Azerbeidzjan. Rusland deed na dertig jaar afwezigheid opnieuw zijn intrede in Armenië en Nagorno-Karabach, en stuurde vredestroepen om de nieuwe vrede te handhaven.

© Marijn Sillis & Roel Nollet

Stepan: ‘Ons huis ligt in Armenië, maar onze schuur en tuin liggen sinds kort in Azerbeidzjan’,

Nieuwe generatie, nieuw trauma

In 2014 gingen we al eens op reportage in Nagorno-Karabach. Toen reden we de zelfverklaarde republiek zonder veel moeite binnen, maar de tijden zijn veranderd. Maanden op voorhand hebben we onze visa aangevraagd, maar op de dag dat we van Jerevan naar Stepanakert (de hoofdstad van Nagorno-Karabach, red.) willen rijden, krijgen we een njet.

Het bericht komt van het kabinet van Buitenlandse Zaken van de Republiek Artsakh, maar dat is slechts schijn. Het zijn de Russische vredeshandhavers die de enige weg van Armenië naar Nagorno-Karabach, via de Laçin-corridor, controleren. ‘Toch ben ik er zeker van dat de Azeri aan de touwtjes trekken’, zegt onze fixer Sona Margaryan (26). ‘Ze willen niet dat buitenlandse journalisten de Armeense kant van het verhaal horen.’

Ooit droomde de jonge documentairemaakster van studies en een carrière in Europa. Maar toen de oorlog in Nagorno-Karabach losbarstte, vertrok ze naar het front om alles in beeld te brengen. ‘Ik herinner me vooral de jonge soldaten. Allemaal vroegen ze me om een foto te maken. Omdat het de laatste kon zijn. Dat jongens van achttien of negentien zoiets vragen is hartverscheurend.’

Margaryan hoorde de bommen vallen, zag de lijkkisten passeren. Soms schrikt ze ’s nachts nog wakker uit haar slaap. ‘Onze ouders hadden het altijd over de oorlog van de jaren ’90. Nu heeft onze generatie haar eigen trauma’, vertelt Margaryan. ‘De oorlog heeft al mijn prioriteiten herschikt. Bij mijn vrienden zie ik hetzelfde. We moeten hier blijven, om deze historische momenten vast te leggen. Want onze natie, onze cultuur en ons land zijn in gevaar.’

Wanhopige herders

Omdat we Nagorno-Karabach niet binnen mogen, rijden we honderden kilometers langs de Armeens-Azerbeidzjaanse grens, in de zuidelijke provincie Sjoenik. De bergen zijn prachtig, het aanzicht soms absurd. Om de zoveel tijd passeren we metershoge vlaggen op de bergtoppen. Nu eens Armeense, dan weer Azerbeidzjaanse. Meestal op niet veel meer dan honderd meter van elkaar verwijderd.

Voor onze chauffeur, de ontheemde Valeri Ghazaryan (32), is het een beproeving. Als kind raakte hij gewond in de eerste oorlog, maar ondanks zijn zwakke gestel nam hij vorig jaar de wapens op. Zijn vriend stierf in zijn armen. Uiteindelijk moest hij zijn geboortegrond in Nagorno-Karabach verlaten.

‘Mijn zoon is herder. Ik bel hem honderd keer per dag om te vragen of hij veilig is.’

De Azerbeidzjaanse vlaggen naast de weg doen hem koken van woede. Meermaals gaat zijn middelvinger de lucht in. ‘Hoe zou jij je voelen als het land waar je geboren en getogen bent, aangevallen en ingepalmd wordt? Als er op de wegen die je altijd gebruikt hebt plots controles zijn?’

Nu de omliggende regio’s rond Nagorno-Karabach niet meer onder Armeense controle staan, is het Azerbeidzjaanse leger opgeschoven tot tegen de Armeense grens. Wanneer we het dorp Khnatsakh binnenrijden, is de spanning om te snijden. Op een inderhaast bij elkaar geroepen dorpsvergadering staan mannen tegen elkaar te schreeuwen. Ze zijn in paniek. Dicht bij het dorp hebben Azerbeidzjaanse soldaten een graafmachine laten aanrukken om grachten aan te leggen.

‘We zijn bang’, zegt Sivart, een oudere vrouw. ‘Ik durf niet meer naar onze moestuinen aan de rand van het dorp. Mijn zoon is herder. Ik bel hem honderd keer per dag om te vragen of hij veilig is.’

Aan de rand van het dorp ontmoeten we toevallig een van zijn collega’s. ‘Ik heb al mijn beesten verkocht en hoed alleen nog de dieren van de dorpelingen. Maar waar moet ik nog heen? Als de beesten de grens oversteken, zijn we ze kwijt. Dat is onze nieuwe realiteit.’

© Marijn Sillis & Roel Nollet

Robert: ‘Het huis dat we al decennia bewoonden bleek plots in Azerbeidzjan te liggen.’

Gescheiden huizen

Op weg naar het dorpje Sjoernoek stuiten we op een gigantisch, pesterig advertentiebord: ‘Welcome to Azerbaijan’. Rond de tekst: foto’s van de toeristische hotspots van de Azerbeidzjaanse hoofdstad Bakoe.

In Sjoernoek zelf verschansen Armeense soldaten zich onder een metershoog kruis. Aan de andere kant van de weg wappert de Azerbeidzjaanse vlag. Wanneer we al wandelend de hoek omslaan, botsen we op een Russische post. Twee gemaskerde Russen jagen ons weg. Op een oppervlakte van amper een voetbalveld zien we soldaten van drie verschillende legers. Foto’s maken is verboden.

‘Elke dag dat we opstaan met vrede, is een gewonnen dag.’

Als we eenmaal buiten het gezichtsveld zijn van de Russen zien we twee huizen, met prikkeldraad van elkaar gescheiden. Tot voor kort bewoonden de zeventigers Robert en Natella en hun zoon Roman een van de huizen. ‘Na het vredesverdrag kwamen Russische en Turkse soldaten naar ons dorp met gps-materiaal”, vertelt Robert, die we verderop in een afbrokkelend huis aantreffen. ‘Het huis dat we al decennia bewoonden bleek plots in Azerbeidzjan te liggen.’

De buren van Robert en Natella mochten wél blijven waar ze al half hun leven wonen. Of toch… gedeeltelijk. ‘Ons huis ligt in Armenië, maar onze schuur en tuin liggen sinds kort in Azerbeidzjan’, zucht Stepan (72). Zijn koeien zijn verhuisd. De bijen die hij houdt vliegen regelmatig over de grens. Onder de trap naar zijn woning slapen nu jonge Armeense soldaten met oude kalasjnikovs.

‘Ik ben bewust op de grens komen wonen, om ons land mee te beschermen’, zegt Stepan. ‘Maar nu, aan het einde van mijn leven, ben ik pessimistisch. We zijn de laatsten van Europa die de christelijke waarden beschermen tegen de Ottomanen en de islam, maar ons leger is niet sterk genoeg.’ Hij kijkt naar de grond. ‘We hebben verloren.’

Zijn vrouw Laura serveert ons warme melk, wodka en huisgemaakte honing. Ze probeert de moed erin te houden. ‘Elke dag dat we opstaan met vrede, is een gewonnen dag.’

© Marijn Sillis & Roel Nollet

‘Elke dag dat we opstaan met vrede is een gewonnen dag.’

Armeense verzetsstrijders

We slingeren verder door de woeste Armeense bergen. Van grensdorp naar grensdorp. Als de impact van de recente oorlog ergens buiten Nagorno-Karabach voelbaar is, dan wel hier.

In David Bek – een dorpje vernoemd naar de Armeense vrijheidsstrijder die in de achttiende eeuw de strijd aanbond met de Ottomanen – heeft de burgemeester weinig zin ons te woord te staan. Hij voelt zich door iedereen in de steek gelaten. Hij wijst naar de Azerbeidzjaanse vlaggen verderop. ‘We willen een neutrale zone van één kilometer, maar de Azeri hebben hun linies tot tegen ons dorp gebouwd. Wat kan ik doen: ons dorp verleggen?’

De plaatselijke leerkracht, Antika Ghonyan, een historica, beschrijft hoe ze bang wordt als de donkere nacht over het dorp valt. ‘We zijn volledig omsingeld’, zegt ze. ‘Maar net zoals de vrijheidsstrijder David Bek zullen we strijden voor ons land. Wij, Armeniërs, hebben geleerd om voor ons huis en ons leven te vechten. Desnoods tot de dood.’

© Marijn Sillis & Roel Nollet

Leerkracht Antika: ‘Wij, Armeniërs, hebben geleerd om voor ons huis en ons leven te vechten. Desnoods tot de dood.’

In het piepkleine Vorotan beamen ze die woorden. Surik Ohanjanyan, het hoofd van het dorp, stelt ons voor aan het vrijwilligerskorps dat de wapens opnam toen de Azerbeidzjaanse soldaten de grens naderden. ‘Deze mannen hebben allemaal de oorlog van de jaren ’90 meegemaakt. Maar deze keer was het helemaal anders’, zegt Ohanjanyan. ‘Terwijl ik hier met jullie zit te praten, kan ik het gezoem van de drones nog altijd horen.’

Plots springt de vijftiger op uit zijn zetel. Net zoals overal waar we passeren, komt een Armeense soldaat poolshoogte nemen van onze aanwezigheid. Het is een formaliteit, al houden onze fixer en chauffeur bijna voortdurend in het oog dat we geen gevoelige informatie in beeld brengen.

Burgemeester Ohanjanyan vraagt aan onze vertaler wat hij allemaal mag vertellen. Niet veel later zegt hij dat er in zijn dorp nog altijd kalasjnikovs klaarliggen voor de vrijwilligers. ‘Maar op een geheime plaats die ik jullie niet mag laten zien.’

In zijn huis toont het dorpshoofd walkietalkies en gps-materiaal. Naast het speelgoed van zijn kleinkinderen liggen enkele legerhelmen. Vanachter een handvol handdoeken in zijn kleerkast trekt hij plots een mes dat hij zo op een Kalasjnikov kan schuiven. ‘Het is onze taak om ons dorp te beschermen. Een vrouw kan haar man niet respecteren als hij tijdens een oorlog in zijn zetel blijft zitten.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Heilige begraafplaatsen

Wanneer we opnieuw verder willen rijden, houdt een oude inwoner van Vorotan ons tegen. Razmik vertelt hoe ook hij de wapens nog zou opnemen, mocht dat nodig zijn. De reden hebben we al vaker gehoord: ‘Ik kan de graven van mijn familie niet achterlaten.’

De oude man meent dat Armenië maar een klein pionnetje is in een groter geopolitiek schaakspel. Hij put hoop uit het feit dat de Amerikaanse president Joe Biden de Turkse genocide op de Armeniërs heeft erkend. ‘Want deze oorlog van Azerbeidzjan en Turkije is er simpelweg het gevolg van.’

‘Ik ben blij dat de mensen mijn zoon eren, maar ik heb hem niet opgevoed om een martelaar te worden.’

Dat de genocide nog niet voorbij is, zullen we vaker horen. Net zoals de overtuiging dat Armenië niet alleen met Azerbeidzjan, maar ook met Turkije in oorlog is. In Goris, de eerste Armeense stad naast Nagorno-Karabach, worden we ontvangen door Rima (40). In de hoek van haar woonkamertje, in een oude Sovjetblok, staat een altaar voor haar gesneuvelde zoon. Een jongen nog. Negentien. Op de foto’s is nog geen baardgroei te bespeuren. Zijn horloge, paspoort en uniform liggen tussen bloemen en kaarsen.

Wanneer we haar vragen naar de voorbije oorlog, corrigeert ze ons. ‘Ten eerste is de oorlog nog niet voorbij. En ten tweede: eigenlijk was het geen oorlog. Wel een nieuwe genocide.’ Ze huilt. ‘Ik ben fier op de mannen die Armenië hebben verdedigd. Ik ben blij dat de mensen mijn zoon eren, maar ik heb hem niet opgevoed om een martelaar te worden.’

De oorlog was nog maar net begonnen toen de vrachtwagen van haar zoon – die wapens vervoerde – gebombardeerd werd door een Azerbeidzjaanse drone. ‘Ik probeerde hem op te bellen, maar kreeg hem niet te pakken. Vier dagen lang was er geen nieuws, we waren volledig in paniek. Toen we zijn lijk moesten identificeren, herkende ik onze jongen amper. Maar we hebben zijn lichaam tenminste terug. Het is niet alle ouders gegund, want veel soldaten zijn nog altijd vermist.’

© Marijn Sillis & Roel Nollet

Rima: Ik ben fier op de mannen die Armenië hebben verdedigd. Ik ben blij dat de mensen mijn zoon eren, maar ik heb hem niet opgevoed om een martelaar te worden.’

Een oude spoorlijn

Door het kronkelende Armeense hooggebergte met zijn indrukwekkende kerken rijden we naar ons eindpunt: het zuidelijke Meghri, nabij de Armeens-Iraanse grens. Langs de stad op de oude Zijderoute wil Azerbeidzjan een vervallen spoorweg van tijdens het Sovjetbewind nieuw leven inblazen. Een van de voorwaarden van het vredesakkoord is een verbinding tussen Azerbeidzjan en de Azerbeidzjaanse exclave Nachitsjevan, die aan Turkije grenst.

Volgens Armenië zou het maar om een nieuwe communicatieweg gaan, die dus perfect door Armeniërs gecontroleerd kan worden. Maar de Azerbeidzjaanse president Aliyev – die de oorlogspropaganda niet schuwt en in hoofdstad Bakoe een overwinningspark liet bouwen met helmen van gesneuvelde Armeniërs – heeft het dan weer over een corridor. En die zal hij ‘desnoods met geweld verkrijgen’, liet hij in de lente nog optekenen.

De inwoners van Meghri beseffen maar al te goed dat de semantische discussie zomaar de nieuwe lont in het kruitvat kan zijn. Toen de Armeense premier in april een bezoek bracht aan de regio, viel een woedende massa hem aan. Zelfs de burgemeester van Meghri, Mkhitar Zakaryan, werd opgepakt in het tumult.

‘Ik wil daar liever niets meer over zeggen’, aldus Zakaryan. ‘Als ik niets goeds te melden heb over de huidige regering, kan ik beter mijn mond houden. En die spoorweg? (windt zich op) Is er werkelijk iemand die gelooft dat het op dit moment een goed plan is? Iedere familie in dit land rouwt nog om zijn doden. Een corridor door onze regio zou een slag in het gezicht van alle Armeniërs zijn.’

Volledig afgesneden

Het oude treinstation van Meghri staat er vervallen bij. Een locomotief met USSR-logo roest langzaam maar zeker weg. Over de voormalige spoorweg rijden we traag richting het afgelegen Nrnadsor. Onder verweerde spoorwegbruggen, langs de wilde Arasrivier en elektrische prikkeldraad die samen de grens met Iran vormen.

Opnieuw passeren we Russische bases en Armeense wachtposten. Wanneer we uiteindelijk in Nrnadsor arriveren, worden we opgewacht door Alik Boyajyan. ‘Als de spoorweg heraangelegd wordt, zijn wij onze enige autoweg kwijt en zijn we volledig afgesneden van de rest van het land’, zucht de man. ‘We moeten ons er dus wel tegen verzetten.’

‘Turkije zet Europa onder druk met de vluchtelingendeal, Azerbeidzjan heeft olie en gas. Helaas kunnen wij daar maar weinig tegenover zetten.’

Boyajyan gidst ons door het kleine dorp met 151 inwoners. Op een heuvelrand waar oude gebouwen met de grond gelijkgemaakt zijn, toont hij de fundamenten voor nieuwe huizen. ‘Voor de hervestiging van dertig families uit Nagorno-Karabach’, klinkt het. ‘Zoals je ziet hebben we ook aan kelderruimte gedacht, want de grens met Azerbeidzjan ligt amper een paar kilometer verderop.’

Bij de koffie in zijn kantoor, in een vervallen cultuurcentrum uit de tijd van de Sovjet-Unie, begint ook het dorpshoofd over Turkije en de Armeense genocide. ‘Er is maar één land dat de genocide moet erkennen en dat is Turkije. Zolang dat niet gebeurt, zal er niets veranderen’, zegt Boyayjan, die Azerbeidzjan en Turkije bewust in één adem vernoemt. ‘Het zijn twee landen, maar één natie. En ze zijn er allebei op uit om Armenië te vernietigen.’

De burgemeester voegt eraan toe dat Armenië alleen staat in de strijd. ‘Voor dode dieren en gekapte bomen staat de Europese Unie op de barricaden. Maar als mensen worden vermoord in een brutale oorlog, is Europa alleen maar “bezorgd”. Maar goed, zo werkt geopolitiek zeker? Turkije zet Europa onder druk met de vluchtelingendeal, Azerbeidzjan heeft olie en gas. Helaas kunnen wij daar maar weinig tegenover zetten.’

Recht op bescherming

Terug naar Jerevan. Op het militaire kerkhof Jerablur wapperen honderden Armeense vlaggen in de wind. Snikkende vrouwen kussen grafzerken. Het gejammer zoemt over de vlakte, wierook verspreidt her en der een lichte mist. Een oude man op een bankje staart wezenloos voor zich uit.

‘We moeten de realiteit onder ogen durven te zien en accepteren dat Armenië een oorlogsnatie is.’

Op de grafstenen kijken we in de ogen van jongens van amper achttien, een getrouwde man met twee tortelduiven, een jong koppeltje. Twee grote blauwe ballonnen vertellen dat een dode soldaat net zijn twintigste verjaardag zou hebben gevierd. Onze chauffeur Valeri, die het oorlogsleed maar al te goed kent, is er niet meer bij.

Onze fixer Sona zit sip in een bankje. Ze heeft de oorlog in beeld gebracht, de recente verhalen in Sjoenik mee gehoord. We vragen haar waarover deze oorlog nu eigenlijk ging. ‘In tegenstelling tot de mensen die we ontmoet hebben, wil ik het niet over geopolitiek of religie hebben’, antwoordt ze. ‘Voor mij draait het om het simpele feit dat de mensen uit Nagorno-Karabach en de Armeense grensgebieden het recht hebben om in veiligheid te leven.’

De twintiger, die ooit deelnam aan vredesprojecten, bekent uiteindelijk dat ze zelf niet meer in vrede gelooft. ‘Mijn generatie hoopte dat alles anders zou worden. Maar we moeten de realiteit onder ogen durven te zien en accepteren dat Armenië een oorlogsnatie is.’

Een andere stem

Het is pas op onze laatste avond, wanneer de populaire Araratcognac rijkelijk vloeit, dat we in de kamer van de gewonde oorlogsvrijwilliger Gevorg een ander geluid horen. Wanneer zijn broer Arma (34) binnenwaait, ontvouwt er zich een hevige discussie. Want de zakenman heeft het zowaar over vrede in plaats van oorlog. Over een compromis met Azerbeidzjan. Ondanks zijn verschroeide been springt Gevorg bijna tegen het plafond. ‘Jij bent zo naïef!’

Arma houdt voorzichtig stand. ‘Wij zijn kinderen van de oorlog van de jaren ‘90’, klinkt het. ‘De manier waarop Gevorg denkt, hoe zijn ideeën gestructureerd zijn: het is allemaal oorlog. En dat is hetzelfde voor bijna alle Armeniërs. Onze verhalen, liederen, cultuur: ons land is gebouwd op strijd, op die zogezegde overwinning van dertig jaar geleden. Maar ik probeer me tegen dat idee te verzetten. Omdat we door dat discours vergeten zijn om een nieuw leven te beginnen. Om ons land weer te bouwen.’

‘Iedereen herhaalt maar dat Armenië sterker moet worden,’ gaat de dertiger verder, ‘maar ondertussen zijn twee van onze vier grenzen gesloten. We maken ons kwaad over Turkije en Azerbeidzjan, praten over de Europese Unie en de Verenigde Staten. Maar wat heeft het voor zin om naar de rest van de wereld te kijken, als je nog geen verbinding kan maken met je twee buren? Ja, we moeten onszelf beschermen. Maar we moeten ook uit onze isolatie stappen, economische relaties durven aan te gaan met onze buren. Dat is de enige weg naar een veiligere toekomst.’

Arma’s besluit is hard: ‘De verhaaltjes die iedereen jullie vertelt, over vechten en sterven voor het vaderland, zijn een klucht. Armeniërs zijn niet per se zo dapper en groots als ze iedereen willen doen geloven. Ze hebben zich vooral verslikt in hun eigen overwinningssprookje, dat ze begin jaren ’90 hebben geschreven.’

Laatste toast

We vragen wie van hen gelijk zou krijgen op de straat. Amra wijst overtuigd naar zijn oudere broer. ‘Hij, uiteraard! Na het recente conflict is het nationalistische discours sterker dan ooit tevoren.’

Terwijl zijn broer knarsetandt, zegt Amra zachtjes dat hij zijn relaas nooit in het openbaar zou durven te voeren. Dat hij het soms probeert op Facebook, maar dat zelfs zijn vrienden hem dan niet begrijpen. ‘Omdat je hier in je ivoren toren woont’, zegt Gevorg fel. ‘Omdat je niet weet wat er in Sjoenik speelt. Omdat je denkt dat je hier in Jerevan veilig bent, terwijl geen enkele Armeniër zich vandaag veilig kan voelen.’

De twee dertigers blijven nog even discussiëren, maar onze tolk heeft geen zin meer om alles te vertalen. De discussie valt stil. De mannen verontschuldigen zich voor hun gehakketak. Gevorg heft het glas: ‘Op de dag dat we Nagorno-Karabach opnieuw volledig veroveren!’

Arma bijt op z’n lip. In de achtergrond spelen zijn kinderen met de plastic speelgoedtank van hun oom.

Dit artikel is een productie van The Redhorse Collective en kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist

    Marijn Sillis is freelance journalist. Sinds 2010 schrijft hij voor verschillende Vlaamse media. Hij was ook een tijdje hoofdredacteur van jongerenmedia-agentschap StampMedia.