Een uittreksel uit het boek "De melkboer en de geschiedenis" van John Vandaele

De grote geschiedenis vertel je met kleine verhalen

Aan de hand van kleine verhalen vanuit woonkamer, wijk en stad beschouwt MO*redacteur John Vandaele in De melkboer en de geschiedenis de grote verschuivingen in Vlaanderen en de rest van de wereld. Reis mee met de auteur van 1935 tot 2022 en geniet van deze fragmenten uit het boek.

Het Bruihof wil de eerste zijn. Over auto’s en status

1935

In 1935 kocht mijn grootvader Cyrille Vandaele een van de eerste auto’s van de streek: een Ford met wielen die nog spaken hadden. Later zou grootvader ook de eerste televisie en de eerste elektrische omheining voor vee bezitten. Volgens mijn vader tenminste.

Dat het hem zo is bijgebleven, geeft aan dat ‘de eerste zijn’ in dat soort dingen als belangrijk werd ervaren. Een zaak van eer waarvoor men andere dingen moest opofferen, zoals… een bed waarop geen rattenurine druppelt.

Mijn pa vertelde immers meermaals hoe hij en zijn broers soms de dekens over hun hoofd moesten trekken om zich te beschermen tegen de rattenurine die, van tijd tot tijd, door de plankenvloer van de zolder naar beneden op hun bed druppelde. In het gezin werd ook vrolijk gedaan over het feit dat men goedkope Solo-margarine op de boterham smeerde in plaats van de zelfgemaakte boter, die men liever te gelde maakte, maar tegelijk met een dure auto pronkte.

Ik zag hoe het koolstofrijke statussymbool van de Duitse luxewagen zich wereldwijd verspreidde.

Blijkbaar was wat de familie wilde verbergen toch min of meer geweten, want op een dag had een of andere onverlaat aan de afslag naar de boerderij een bordje gehangen met daarop ‘Bruihof’. Een verwijzing naar de brui die er elke dinsdagavond werd gegeten, een brouwsel van tarwemeel met water, melk, wat boter en bruine suiker. Die brui werd kennelijk gezien als ietwat armoedig voedsel. Mijn vader: ‘Onze twee koeiers aten altijd bij ons en waarschijnlijk is dat langs die weg bekend geraakt. Degene die het heeft opgehangen, moet iemand geweest zijn die mijn vader niet erg gunstig gezind was. Pa heeft het meteen verwijderd.’

Het bezitten van bepaalde spullen werd in de familie gezien als een evidente manier om te tonen dat je enigszins belangrijk was, dat je meetelde. De wagen als statussymbool zat diep in het familiale geheugen gegrift.

Vijftig jaar later, in 1985, vertelde een van mijn vele nichtjes me hoezeer de aanschaf van misschien wel de laatste wagen van het gezin werd gewikt en gewogen. ‘Eerst hadden mijn ouders beslist om voor hun pensioen een Audi te kopen, maar op een of andere manier vonden we dat wat spijtig. Bij nader inzien wilden we allemaal dat pa een Mercedes zou kopen.’

Mijn nonkel zag er de ironie van in: als jongeman had hij zich nog verstopt voor de Duitsers en nu wilde hij per se een Duitse wagen. Maar de magie van de Duitse luxewagens was te sterk: het kopen van een Mercedes werd ervaren als een teken dat je geslaagd was in het leven.

In de loop van mijn leven zag ik hoe het koolstofrijke statussymbool van de Duitse luxewagen zich wereldwijd verspreidde. Of het nu om Turkse immigranten in de stad Gent ging of de nieuwe rijken in China, het hielp miljoenen mensen bij het lenigen van ons diepe verlangen naar status en erkenning.

Alex Proimos (CC BY-NC 2.0)

Een taxichauffeur op pad in een Mercedes, Marokko, januari 2010.

Mao en Keulen

Oktober 1949

Even later vond in dat andere grote Aziatische land, China, alweer een gebeurtenis plaats die een halve eeuw later de wereld mee vorm zou geven. ‘Ons land zal nooit meer worden beledigd en vernederd. China is opgestaan.’ Zo begon Mao Zedong, de voorzitter van de Chinese Communistische Partij, op 1 oktober 1949 zijn speech boven op de Poort van de Hemelse Vrede. Voor hem lag het ‘Pleintje’ van de Hemelse Vrede. Het later zo immense plein moest nog worden uitgebreid door de communisten, die trouwens in heel de stad aardig zouden huis houden tijdens de Lange Mars naar modernisering.

Ik heb de beelden van Mao’s verklaring meermaals gezien, de trillende geluidsweergave incluis. De betekenis ervan wordt vooral duidelijk als je met Chinezen spreekt over wat eraan voorafging: 1949 maakte een einde aan decennia van burgeroorlog en chaos.

Dat is wat meteen opvalt als ik mevrouw Chen in 2018 vraag wat ze zich herinnert van 1949. Ze is de moeder van Lei Chen die aan de Gentse universiteit doctoreert. Rechtstreeks herinnert mevrouw Chen zich niks: ze werd immers als boreling geadopteerd in 1954. Maar ze herinnert zich wel de verhalen van haar vader die geboren werd in de provincie Shandong in 1910 en leefde in een land waar legers en milities van diverse pluimage het leven onveilig maakten.

‘Mijn vader was eerst bij het achtste leger van de communisten, later werd hij daar ontvoerd door de maffia. Zijn familie heeft veel geld moeten betalen om hem vrij te krijgen. Daarop besliste mijn pa om het leger te verlaten en zich te specialiseren in traditionele geneeskunde. Later trok hij naar de stad Dalian in de minder dichtbevolkte provincie Liaoning waar hij verder studeerde. Toen de communisten aan de macht kwamen, kon hij aan de universiteit gaan werken als professor in de geneeskunde. We stelden het goed. Tot 1966.’

De Chinese angst voor chaos en oorlog gaat terug tot voor onze tijdrekening, tot het ontstaan van China na een eeuwenlange periode van oorlog. Na dat zogenaamde Tijdperk van de Strijdende Staten werd de Chinese eenheidsstaat ervaren als een garantie voor stabiliteit.

Mao sprak die 1ste oktober 1949 ook over ‘het woud van schoorstenen’ dat hij wilde zien verrijzen. Hij geloofde dat China zich enkel kon verweren tegen het Westen door zich ook de moderne industriële technieken eigen te maken en de schoorsteen was daarvan een symbool. Zestig jaar later zou de rook uit de schoorstenen soms de zon boven Beijing doen verdwijnen.

Mao en zijn partij zouden daarvoor de basis leggen door de eenheid van het land te herstellen en de bevolking te scholen en gezonder te maken.

In China zou Mao de proporties van een halfgod aannemen, zoals ook communistische leiders in sommige andere landen. Merkwaardig voor een ideologie die zo sterk uitging van de gelijkheid van alle mensen. Maar de geschiedenis laat zich nu eenmaal niet uitwissen: het gewicht van eeuwenlang bestuur door keizers en tsaren was simpelweg te groot. Het vergt tijd en het geluk van samenvallende belangen om sterke bestuurlijke instellingen tot stand te brengen die tegelijk ook rekenschap moeten afleggen aan de burgers.

De combinatie van een krachtige staat én rekenschap is allesbehalve evident, zo maken Acemoglu en Robinson duidelijk in hun boek The narrow corridor. Hoe nauw de gang is tussen de anarchie van een te zwakke staat en de dwingelandij van een ongecontroleerde staatsmacht zou ik later nog dikwijls vaststellen.

Zestien uur na Mao’s rede denderde mijn vader voor de eerste keer met de trein door het vernielde Keulen. Het maakte een diepe indruk op hem: de ravage van de oorlog lag er vier jaar na de oorlog nog altijd. ‘Dat was heel raar. De Dom stond gedeeltelijk recht maar een groot deel van de stad lag nog in puin. Ik herinner mij nog een standbeeld van een paard met een ruiter, dat de bombardementen had overleefd.’

Na een korte militaire vooropleiding in Gent, deed mijn vader zijn legerdienst in Duitsland, hij ‘lag’ in de stad Siegen. De legering van Belgische soldaten hoorde bij het beleid waarin Duitsland tijdens de eerste jaren na de oorlog verdeeld was in verschillende sectoren die door verschillende geallieerde landen bestuurd werden.

‘Het was echt nog kribbebijten in Duitsland’, vertelde mijn vader. ‘Elke soldaat kreeg drie boterhammen ’s morgens en ’s avonds. Ik was refectorist, ik moest erop toezien dat ieder zijn deel kreeg. Als er onderweg van de bakkerij naar de refter broden verdwenen, weigerde ik de maaltijd te serveren tot de broden weer boven water kwamen. ’s Avonds stonden aan de poorten van de kazerne dikwijls Duitse vrouwen die contact met ons zochten. Velen hadden hun man verloren tijdens de oorlog en wisten niet van welk hout pijlen maken. Ik ben daar nooit op ingegaan- sommigen hadden naar verluidt syfilis en andere vuile ziekten.’

Er verandert iets aan de lucht

1945-1975

Maar met die gouden jaren, dat wonder van vooruitgang, begon stilletjes iets te veranderen aan de lucht, onze dampkring, die band van gassen van enkele kilometers hoog die rond onze planeet hangt en waarin al het leven ontstaat en gedijt. Die verandering was onmerkbaar met het blote oog of oor. Je had en hebt machines nodig om ze te meten. Het was de lange tijd verborgen schaduwzijde van les trentes glorieuses die we maar geleidelijk en schoorvoetend leerden begrijpen.

De gouden jaren verslonden veel energie: om machines te doen draaien, auto’s te laten rijden, huizen te verwarmen… Die energie werd vooral geproduceerd door het verbranden van stoffen die we in de grond vonden: steenkool, aardolie en aardgas.

Als je die fossiele brandstoffen verbrandt, komt er een gas vrij dat luistert naar de naam koolstofdioxide (CO2 in de scheikundige formulering). Als er heel veel CO2 in de lucht wordt gepompt, zorgt dat ervoor dat de warmte die de zon naar de aarde straalt, minder makkelijk aan de dampkring kan ontsnappen. De atmosfeer houdt als het ware de warmte beter vast. Daardoor ontstaat wat we later als het broeikaseffect leerden kennen. Tussen 1945 en 1970 steeg de jaarlijkse mondiale uitstoot van CO2 van 4 miljard ton naar meer dan 14 miljard ton. Een nooit vertoonde explosie die zich dan vooral in de rijke landen situeerde.

Het is een typisch voorbeeld van de mens die in zijn zoektocht naar een beter bestaan ‘planetair bricoleert’: hij ontdekt tijdens de industriële revolutie dat hij zijn machines niet alleen op hout dat snel uitgeput raakte, kon doen draaien, maar ook op steenkool en later op aardolie en aardgas. Hij is er wild van, past het op grote schaal toe maar moet later vaststellen dat er een paar probleempjes zijn met zijn nieuwe vondst. Zo hebben we aanvankelijk ook tabak of asbest omhelsd, tot bleek dat die niet zo gezond waren. In het geval van de broeikasgassen gaat het evenwel om iets dat in de kern van ons groeimodel zit.

Wouden sneuvelden ook massaal voor de vele andere activiteiten van de razendsnel groeiende wereldbevolking. Razendsnel is niet overdreven.

De Zweedse professor Svante Arrhenius had nochtans al op het einde van de 19de eeuw gewaarschuwd dat CO2 onze atmosfeer kon opwarmen. Dat was niet de eerste de beste, want in 1903 kreeg hij de Nobelprijs voor scheikunde. Maar onze honger naar lotsverbetering en modern comfort, naar snelle verplaatsingen en warmere winters, naar vliegen als een vogel, … was zo groot dat we de waarschuwingen van de Zweed snel vergaten.

Niet alleen onze energieconsumptie was problematisch. De westerse mens at ook almaar meer vlees. Het werd ervaren als een teken van welstand, omdat vlees lange tijd schaars was geweest voor de gewone mensen. Ons gezin was daar een perfecte illustratie van: bijna elk middagmaal bevatte vlees. Vlaanderen ging massaal kippen, koeien en varkens kweken. Maar dat vee produceerde – puffend en scheten latend – methaan, een gas dat de zonnewarmte nog veel beter vasthoudt dan CO2. Om al dat vee te voeden werden wouden gekapt om er weiden en sojavelden van te maken.

Meisenbach Riffarth & Co. Leipzig

Een fotogravure van Zweeds professor Svante Arrhenius, februari 1859.

Wouden sneuvelden ook massaal voor de vele andere activiteiten van de razendsnel groeiende wereldbevolking. Razendsnel is niet overdreven. Het duurde millennia voor er 1 miljard mensen waren in 1800. Van daar ging het gezwind naar 2 miljard mensen rond 1930 en 3 miljard rond 1960. Maar voor ik veertig jaar werd, waren er al 6 miljard mensen! Ook dat kon je niet zomaar zien, het blijven cijfers die je weet of niet weet. Het was hoe dan ook een nooit vertoonde explosie. Tegen 2050 zullen er wellicht 9 miljard mensen zijn. En al die mensen moeten wonen, zich verplaatsen, eten, werken en willen graag op zijn westers consumeren. Wouden werden (en worden) gekapt om het hout te gebruiken als energiebron of constructiemateriaal, en op de vrijgekomen ruimte fabrieken, wegen of woningen te bouwen, en landbouw te bedrijven. Nu wil het toeval dat diezelfde wouden ook opslagplaatsen van CO2 zijn…

Het duurde lang vooraleer we die klimaatverandering echt begonnen te voelen. Maar de metingen van de luchtsamenstelling en van de ijslagen in het verre verleden vertellen een duidelijk verhaal. De voorbije 10.000 jaar schommelde de hoeveelheid CO2-deeltjes per miljoen deeltjes tussen 230 en 270. In 1928 lag het cijfer al op 306 CO2-deeltjes per miljoen. In 1960 lag dat op 316. Het zou voortaan almaar sneller stijgen. Stap voor stap zou de opwarming zich aan ons opdringen.

Lichamen eten

1966

Meester Feys stampvoette op de hosties. ‘Zie, jongens, zolang de hosties niet gewijd zijn, mag je ermee doen wat je wil.’ Wij keken verbluft toe hoe onze meester van het eerste studiejaar die toekomstige lichamen van Christus vermorzelde onder zijn schoenen. ‘Het is maar als de priester ze heeft gewijd, dat ze het lichaam van Christus worden en dat ge ze zelfs niet meer moogt aanraken: de priester steekt ze in uw mond en gij moogt ze dan nog enkel voorzichtig doorslikken. Niet op bijten.’

Zoiets is niet makkelijk te verstaan maar ik verstond het blijkbaar toch. Ook de uitleg over het bestaan van zoiets als doodzonden nam ik diep in me op. Een doodzonde, dat is iets verkeerd doen, iets wat God niet kan vergeven en waardoor je dus naar de hel zal gaan. En eeuwig zal branden.

Mijn ouders spraken dat van die doodzonden niet tegen, ook al liepen we er hoogst zelden een tegen het lijf. Ze geloofden er wellicht zelf in want ze waren opgegroeid in een nog beangstigender godsdienstig universum. Tja, en als de grote mensen er al in geloofden, of het toch niet openlijk tegenspraken, hoe kon ik als zesjarige dan aan die theorie van de doodzonden en de hel en haar duivels tornen?

Dat van die doodzonden en de hel lijkt een geschikt middel om mensen te disciplineren. Om hen, als het ware, op het rechte pad te houden, maar waterdicht is dat natuurlijk nooit. Nog geen jaar na de uitleg van meester Feys beging ik volgens mezelf immers al een doodzonde.

We waren met het gezin naar de kustplaats Wenduine — of was het Middelkerke? — gereden. De tocht was toen nog veel meer een evenement dan nu, langs kleine, soms bonkige wegen en verre einders in het biljartvlakke polderlandschap.

Nadat we aangekomen waren, zwierf ik wat rond in het duinenlandschap tot ik op een kerkje stootte. Ik stapte er binnen, ik was alleen en zag vooraan in de kerk de microfoon staan. Die trok me bovenmatig aan. Ik wilde weten wat een echte microfoon gaf als je erin sprak. Thuis imiteerde ik vaak de zanger Dave Berry met een elektriciteitskabel als microfoon maar dit was de kans om het in het echt te doen.

Ik stapte naar voren in de zone die doorgaans enkel voor priesters en hun helpers bestemd is – zo dacht ik toch – zette een stoel voor de microfoon, stond erop en sprak in de micro. Het gaf niks. Natuurlijk niet, want de microfoon stond niet aan. Wist ik veel. Ik wilde er ook niet verder aan prutsen, want plots werd ik heel erg bang. Wat stond ik daar te doen in die gewijde zone van de kerk? Wat als iemand me daar betrapte? Ik had iets verkeerd gedaan; ik was daar vooraan bij dat altaar gaan staan, waar ik niet hoorde te zijn. Ik zette de stoel weer op zijn plaats en vluchtte de kerk uit.

Had ik nu een doodzonde begaan? Volgens mij wel. Nee, dit kon echt niet. Dit was slecht en stout. Ik holde door de duinen naar waar ik dacht dat mijn ouders lagen maar ik vond ze niet. Ik weet niet hoe lang ik gezocht heb maar mijn ouders sloegen alarm: hun kind was verdwenen. Uiteindelijk zag ik in de verte de oorlogsbunker waar ze bij lagen. Oef! Mijn moeder sloot me in haar armen. De kwestie van de microfoon achtervolgde me nog lang. Jaren na de ‘feiten’ had ik ergens achter in mijn hoofd het besef dat ik iets heel slechts had gedaan, een doodzonde waarvan ik hoopte dat ze ooit nog te vergeven was.

Ik blijk een slechte kapitalist

1982

Ik woonde samen met mijn studiegenoot en vriend, Christiaan, een immer nijvere bij met een neus voor buitenkansjes. Op een dag kwam hij thuis met de vraag of we niet samen een huis zouden kopen. Enkele straten verder in de studentenbuurt stond namelijk een huisje te koop, voor de zeer bescheiden prijs van 180.000 Belgische frank (4.500 euro), omgerekend ongeveer zes maandlonen uit die tijd. Een buitenkansje dus, temeer omdat de woning toen al werd verhuurd voor 125 euro per maand: daarmee kon je dus de koopsom in drie jaar terugverdienen.

Ik vond het een goed idee. Het feit dat Christiaan mee aan boord was, verlaagde voor mij de drempel voor zo’n beslissing. ’s Anderendaags tekenden we de handgeschreven koopakte, waardoor de koop in feite gesloten was. Nu moesten we alleen nog onze ouders overtuigen.

Mijn ouders bleken akkoord om de helft van de koopsom op te hoesten maar ’s anderendaags sprak Christiaans vader met een vet Aalsters accent door de telefoon de historische woorden ‘Christiaan, vertjelt gien onnoezjeleid!’ En aangezien Christiaan, net als ik, amper spaargeld had, kwam daarmee een fameuze kink in de kabel.

Ik greep die weigering aan om ook weer te gaan twijfelen. Ik had immers ondertussen gezien dat de nokbalk van het huis doorboog, zelfs een lichte knak leek te vertonen. In al mijn onervarenheid met woningen was mijn fantasie op hol geslagen: de woning stond op een helling en die nokbalk was niet in orde … wat als het huis instortte? Zelfs dan zou het een goede koop geweest zijn want de grond was minstens evenveel waard, maar die kennis had ik niet.

Enfin, ik had dus niet het lef om alleen door te zetten en we slaagden er, niet zonder moeite, in om de verkopers ervan te overtuigen de koopakte te vernietigen. De verkopers beseften wellicht dat je een kei het vel niet kan afstropen en dat procederen geen zin had.

En zo misten Christiaan en ik de beleggingskans van ons leven. We beseften niet dat de woningprijzen vanaf dat moment steil omhoog zouden gaan. We waren net aan het einde gekomen van het naoorlogse woonbeleid dat gericht was op veel en goedkope woningen. Het neoliberale scharniermoment van meer zorg voor het kapitaal en de belegger zorgde voor een ommekeer.

Twintig jaar later zou diezelfde woning twintig keer zoveel waard zijn. Zonder enige persoonlijke verdienste, behalve dan de bescheiden durf om het ding te kopen, hadden we dus een pak geld kunnen binnenrijven, plus de huur van al die jaren. Min natuurlijk de onderhoudskosten, maar dodelijk waren die kosten niet want dertig jaar later stond de woning er nog altijd in min of meer dezelfde staat. Het is op deze manier dat sommige Gentse slagers erin geslaagd zijn tientallen, ja zelfs honderden woningen te verwerven. Want wie eenmaal twee woningen bezit, kan met de huur van de tweede woning de derde woning afbetalen.

Het neoliberale scharniermoment van meer zorg voor het kapitaal en de belegger zorgde voor een ommekeer.

De brug naar vermogen – zullen we het de brug van Piketty noemen? – stond nog wagenwijd open. Een collega-werkloze met meer durf en handigheid kocht in die periode verschillende huizen en richtte ze zelf in. Tijd had hij genoeg: hij moest alleen op tijd zijn stempel halen. Een voor een zou hij ze daarna verhuren. Toen hij stopte met stempelen, was hij een meervoudige huiseigenaar.

Hoe dan ook, zo leerde ik van dichtbij de merkwaardige opgang van de woningprijzen kennen en de onrechtvaardigheid die daarmee gepaard gaat. Later zou ik alsnog aan de gelukkige kant van de prijzen vallen, zonder dat ik er veel verdienste aan had. Wie een huis kocht in een wijk die net op het punt stond geherwaardeerd te worden, moest alleen maar wachten tot de waarde steeg. Zoiets heet rentenieren.

‘Het kan niet meer op het blad’

1983

Jowan Verdonck, automecanicien afkomstig uit West-Vlaanderen, woonde in dezelfde straat als Christiaan en ik. Op een groot wit blad dat hij op de deur van zijn woonkamer had bevestigd, hield hij een grafiek bij over de oplopende werkloosheidscijfers. Op een dag belde hij aan. Ik opende het raam op de tweede verdieping en keek naar beneden. Jowan begon met zijn hese stem opgewonden te schreeuwen: ‘Ge gaat mij niet geloven maar het kan niet meer op mijn blad …’

‘Wat kan er niet meer op uw blad, Jowan?’

‘Wel, de werkloosheidscijfers. We zitten boven de 640.000 en ik heb het cijfer op de deur moeten schrijven. Waar gaan we naartoe? Waar gaan we naartoe?’

Ik zou nooit meer vergeten wat het is om niet mee te tellen en weinig geld te hebben, nooit meer vergeten dat werkloosheid geen cadeau is.

Dat was natuurlijk een uitnodiging om eens naar zijn grafiek te komen kijken bij het ledigen van enige glazen. Aan gezellig samenzijn had ik vaak genoeg nood want werkloosheid werd een mentale worsteling. Nu ik me effectief op de arbeidsmarkt bevond — in dit tranendal — werd ik bruusk uit mijn dromerij gewekt: niemand zit op jou te wachten. Omdat de toekomst zo ondoorgrondelijk was, zag ik bij momenten geen uitweg.

Ik besefte niet dat juist die grootste economische crisis in decennia me onbedoeld naar werk zou brengen dat me misschien wel beter lag. Achteraf bleken die enkele jaren werkloosheid ook leerzaam: ik zou nooit meer vergeten wat het is om niet mee te tellen en weinig geld te hebben, nooit meer vergeten dat werkloosheid geen cadeau is.

Ik besefte ook niet echt hoe belangrijk een eerste werkervaring was. Die voorkwam de vicieuze cirkel waarin schoolverlaters van mijn generatie dreigden te belanden en soms ook effectief belandden. Als je een paar jaar geen baan hebt, dreig je de snelheid en gevatheid die een baan in onze contreien doorgaans vereist, te verliezen. De samenleving gaat zo snel dat je vrij snel ‘achter blijft’ en er niet meer in slaagt om bij te benen.

Enkele generatiegenoten slaagden er nooit in een echte baan te verwerven voor langer dan een paar maanden: ze bleven bijna hun hele leven werkloos. Dat deed hen veel pijn, en toch werden ze later bestempeld als voorbeeld van een falend, want te bepamperend sociaal systeem.

Kamiel Van Der Beken was na zijn studies opnieuw bij zijn moeder gaan wonen die alles voor hem wilde blijven doen: wassen en plassen, koken en bakken. Daardoor werd hem de praktische levenservaring om voor zichzelf te leren zorgen, ontnomen. Hij had nooit een echte job en kende psychische problemen. Ook Edgard Vandersteen zou bijna nooit een baan hebben. Decennia later, toen hij vijftig was, zocht hij nog steeds werk.

Ongelijkheid neemt toe: eerste sporen

1991

Na enkele maanden werken voor Ter Zake , de economische bijlage van De Morgen, had ik een mooie primeur: een universitaire studie die aantoonde dat de vermogensongelijkheid toenam in België. ‘In de jaren 1986-88 kenden vermogens de hoogste reële opbrengst sinds de Tweede Wereldoorlog’, verklaarde professor Jef Vuchelen van de Vrije Universiteit Brussel die het onderzoek uitvoerde. ‘In die drie jaar steeg de waarde van het vermogen met 28 procent. De beursboom, de buitenlandse beleggingen en de herleving van de immobiliën speelden daarin de grootste rol.’

Vooral rijkere mensen werden daar beter van, onderstreepte Vuchelen: ‘Ook een deel van de middenklasse heeft geprofiteerd van de beurshausse en het pensioensparen, maar de lagere socio-economische klassen hebben daar niet veel aan gehad.’ Zo kwamen we in België de eerste tekenen van groeiende ongelijkheid op het spoor.

Hoofdredacteur Paul Goossens riep me enkele dagen na de primeur in zijn kantoor en zei me dat ik voortaan op de redactie mocht komen werken. Gewoon als zelfstandige. Van een contract was geen sprake. Ik ging niet in op die vage voorzet. Ik zou weldra vader worden en dan was mijn aanwezigheid thuis erg nuttig.

Voor een blad dat uit de arbeidersbeweging was ontstaan, had De Morgen een zeer liberale benadering van personeelsbeleid. Je kon er heel lang als freelancer op de redactie werken. Die aanpak liet toe om met weinig geld veel te doen.

De meeste mensen bij De Morgen werkten keihard maar zelfs met al die inspanningen bleef er een probleem: er werden te weinig kranten verkocht. De krant had per verkocht exemplaar veel lezers, maar het aantal verkochte exemplaren lag te laag om er een krant te laten mee draaien.

Na de reddingsacties van de lezers kwam de krant al spoedig weer in geldnood. De hoofdredactie zocht contact met de NV Hoste, de uitgever van Het Laatste Nieuws, een krant die het op dat moment ook moeilijk had. Het bleef dus behelpen.

Mao en mama

2010

Mijn moeder geeft niet echt een teken van herkenning als ik binnenkom in het rust- en verzorgingstehuis. Ze kijkt me wel even aan maar er gaat niet echt een lampje branden in haar ogen en daarna kijkt ze weer weg. Ik stap nader en breng mijn hoofd dicht bij haar hoofd. ‘Krijg ik een zoen, mama?’, vraag ik zachtjes. Ik bied mijn wang aan en ze tuit fijntjes haar lippen en geeft me een voorzichtig zoentje.

Ik ben proMO*

 

Steun ons unieke non-profit mediaproject en word proMO*.

Je ontvangt ons magazine en geniet van een pak andere voordelen

Je maakt MO* mee mogelijk en steunt ons in onze missie.

Voor € 4/maand of € 50/jaar.

Ik word proMO*

Mijn vader haalt nu het fruitsap, de volgende stap in een dagelijks ritueel. Moeder drinkt het traag en treuzelend op. Dorst is hier niet het probleem.

Omdat het mooi weer is, besluiten we naar de tuin te gaan. Weg uit de dufte. Pa haalt de rolstoel en de verzorgsters van het rvt helpen ons om mama haar jas aan te doen. Soms houdt ze haar arm onbuigbaar krom zodat je er geen mouw over krijgt.

De verzorgers zijn bedreven in de omgang met mijn ma. ‘Kom, Rikaatje, helpt ons ne keer. Strekt ne keer uwen arm.’

We helpen moeder vervolgens om neer te ploffen in de rolstoel en bollen naar buiten.

Als we goed en wel op een bank bij de vijver zitten, overlopen we de woordjes.

‘Rika en Ga-?’, vraagt mijn pa.

‘Briël’, krast mijn moeder met haar stem die almaar heser wordt.

‘Goed zo!’, roept mijn pa uit en gaat over op het volgende koppel: ‘Walter en …?’

‘Capiau’, zegt mijn ma schier onbewogen de naam van de eertijdse komiek en presentator.

‘Ze is er niet goed bij, vandaag, blijkbaar’, bromt pa en hij probeert opnieuw: ‘Walter en Gode …’

‘Lieve’, vult mama de naam van haar schoonzus aan.

Ik neem het nu over en probeer een ander register. ‘Lance Arm?’

‘Strong’, zegt ze gevat.

‘Nicolas Sar?’, valt mijn pa in.

‘Kozy’, klinkt het. We nemen er nog enkele Europese politici bij en trekken dan naar de States.

‘Barack?’, probeert pa.

‘Michel’, reageert ma met een van de hoogste pieken van de Belgische Ardennen. 623 meter.

Vervolgens probeer ik een andere regio: ‘Mao Ze?’

‘Toeng!’, antwoordt mama met een zeker aplomb.

Ten slotte begint pa met de liedjes. ‘Twee ogen zo …’, zingt hij de oude schlager voor.

‘Blauw,’ krast mama.

Dat woordjes wisselen is de voornaamste communicatie die we nog hebben. Soms geeft het haar overduidelijk plezier. Dan heft ze haar arm op en trekt ze aan mijn schouder, alsof ze nog woordjes uit mij wil trekken. Op die manier kunnen we een gedeelde wereld van nonkels en tantes, politici en wielrenners, spreuken en zegswijzen oproepen, maar veel verder komen we doorgaans niet.

Zodra er wat meer begrip wordt gevraagd, blijft het meestal stil. Al ben je nooit helemaal zeker.

‘Kunt ge u dat nog voorstellen hoe ma vroeger was?’ vraagt mijn vader. ‘Die knappe rappe vrouw die al die jaren zo goed voor mij heeft gezorgd?’

Als we daar bij stilstaan — bij de empathische en heldere vrouw die ze vroeger was — overvalt ons een grote duisternis.

‘Jouw generatie heeft geluk gehad’

2020

Juli 2020. In Asse vindt de eerste familiebijeenkomst sinds het begin van de pandemie plaats. Het virus laat amper ontmoeting toe. Met mijn oudste zoon beslis ik om erheen te fietsen, zo’n 100 kilometer heen en terug.

De pandemie heeft het fietsen in België sterk gestimuleerd. Fietswinkels kunnen de vraag naar fietsen amper bijhouden. Ook steeds meer vrouwen glijden op koersfietsen door het landschap: hedendaagse amazones op stalen rossen! Ik ben gebrand op de fietstocht omdat ik mezelf een heuse Eddy Merckxfiets cadeau heb gedaan, die ik graag eens wil testen.

Ik kocht de fiets omdat het kader van mijn vorige fiets het na 22 jaar had begeven. Breuk in de achtervork. Omdat ik levenslange garantie op het kader had, trok ik met mijn handgeschreven garantiebewijs naar de fietswinkel. Daar meende men eerst een verschijning te zien: een garantiebewijs van 22 jaar oud!

Na enige weken bleek dat ‘levenslange garantie’ voor fietsproducent Trek tien jaar betekent. Trek schat de levensverwachting in België blijkbaar nogal laag in. Ik moest procederen indien ik wou dat Trek zijn belofte gestand deed. Daar had ik weinig zin in.

De aankoop van een nieuwe degelijke fiets drong zich op en toen zag ik een koersfiets van het merk Eddy Merckx blinken in de etalage, tegen een heel schappelijke prijs. Voor wie als tienjarige met rugnummer 51 rondjes fietste terwijl hij in zijn hoofd bergreuzen beklom op West-Vlaamse molshopen, ligt er een laagje nostalgie op zo’n fiets.

Bovendien is het glijden geblazen met het Eddyros. Ik rijd er makkelijk vijf kilometer per uur sneller mee dan met mijn stadsfiets, net zoals Merckx destijds – volgens zijn collega en ex-melkboer Frans Verbeeck – ook vijf kilometer sneller reed dan zijn tegenstanders. Het is lang geleden dat ik zo genoten heb van een nieuw hebbeding: de eerste weken na de aankoop wil ik elke dag met de fiets door de lucht glijden.

De tocht naar Asse is de eerste serieuze test. Mijn zoon en ik praten honderduit. Over leven en werken, over sport en het samenwonen met zijn vrienden. En dan zegt hij plots iets dat me bijblijft: ‘Jouw generatie heeft het geluk gehad geboren te zijn na de Tweede Wereldoorlog en voor de klimaatverandering echt toeslaat.’ Ik kan hem niet echt tegenspreken, al voelen we de opwarming nu al.

Boro en het kapitalisme van de vadsige koning

2022

Sara en ik zitten aan de grote keukentafel die nog op de Schardouwhoeve heeft gestaan. Terwijl ik aan dit laatste hoofdstuk zit te wroeten, herstelt zij haar kamerjas. Het is een peignoir die grootvader Bruntje nog heeft gedragen. Het ding moet intussen veertig jaar oud zijn en is tot op de draad versleten.

De ‘ontbinding’ is zo diepgaand dat er op de rugzijde een immens uitgerafeld gat is ontstaan. Het gat is een gedeeld geheim waar Sara en ik al enkele jaren enig genoegen aan beleven. Samen verkneukelen we ons dan over de vraag of de aanblik ervan bezoekers zou doen schrikken, en of het niet wenselijk is dat Sara haar rug van bezoekers afwendt om zo het gat aan hun blik te onttrekken.

Province of British Columbia (CC BY-NC-ND 2.0)

De pandemie heeft het online bestellen en dus het aan huis leveren enorm bevorderd.

Maar nu maakt Sara dus bruusk een einde aan het tijdperk-van-de-afgewende-rug door de kamerjas te herstellen met sashiko, kleine borduursteekjes, en het innaaien van andere stukken stof. Die oude Japanse technieken horen bij mottainai, de filosofie van het niet-verspillen, die enige opgang kent bij Japanse ecologisten.

Sara’s werk vordert traag maar het resultaat lijkt wel iets te gaan worden. De kamerjas wordt boro, een duidelijk hersteld gebruiksvoorwerp. Boro houdt in dat we een langetermijnrelatie aangaan met de materiële wereld rond ons. Je gooit je stokoude kamerjas niet zomaar weg.

Kunnen bewuste consumenten en burgers zo talrijk zijn dat ze het systeem ten gronde veranderen?

Er wordt gebeld. Het is een pakjesdienst met alweer een grote kartonnen doos voor onze jonge buren die eens te meer niet thuis zijn. De pandemie heeft het online bestellen en dus het aan huis leveren enorm bevorderd. Het businessmodel rekent kennelijk op de goede wil van de buren om pakjes in ontvangst te nemen als de bestemmeling er niet is, want er wordt steevast bij de buren aangebeld. De megawinsten van Amazon en de superrijkdom van Jeff Bezos teren dus een beetje op welwillendheid.

Voor mijn jongste zoon is online bestellen heel gewoon. Zelfs een miniscuul boekenrekje laat hij aanleveren, inclusief de vier plugjes en vijsjes die erbij horen. Kent hij nog de doe-het-zelfwinkels waar hij een en ander zelf zou kunnen kiezen?

Online is makkelijker. Gezeten achter je computer volstaan wat muisklikken om alweer een product te laten aanvoeren, verpakking inbegrepen. Het kapitalisme van de vadsige koning(-klant). Kunnen we zo binnen de draagkracht van de planeet blijven? Na de eerste lokdams is de hongerige vraag naar spullen zo groot dat de containerschepen uit China niet meer kunnen volgen en de prijzen voor nogal wat producten stijgen.

Kunnen sashiko en boro daar tegenop? Ongetwijfeld kunnen veel (oude) samenlevingen en culturen ons leren zorgzamer met de dingen om te gaan. Maar kunnen bewuste consumenten en burgers zo talrijk zijn dat ze het systeem ten gronde veranderen? Hebben mensen tijd voor sashiko in hun overvolle dagschema’s?

Misschien. Soms ontstaan wonderen van onderuit. Het VN-klimaatpanel erkent in 2022 voor het eerst dat gedragsverandering wenselijk is, maar dat er uiteraard veel meer nodig is.

Het boek De melkboer en de geschiedenis verschijnt bij EPO en wordt voorgesteld op 23 september 2022 om 20 uur in de refter van de Sint-Baafsabdij in Gent. Schrijver Christophe Vekeman verwelkomt John Vandaele, Badra Djaït en Dries Lesage. Osama Abdulrasol zorgt voor een muzikale verrijking.

Als proMO* kan je dit boek met 5 euro korting bestellen op de website van EPO. Vraag de korting aan via promo@mo.be of check onze proMO*facebookgroep.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3260   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur