Dossier: 
‘De overheid vertrekt best niet vanuit wantrouwen maar vanuit vertrouwen’

Kunst, corona en creatieve energie

© Arne Focketyn

 

De Vlaamse cultuursector lijdt zwaar onder de coronacrisis. Welke lessen kan de sector uit de crisis trekken? Actrice en columniste Julie Cafmeyer en cultuursocioloog Pascal Gielen (UAntwerpen) denken na over hoe het beter kan en moet na corona.

De Vlaamse cultuursector stond eind vorig jaar, meer dan twee maanden voor het begin van de coronacrisis, in rep en roer. De reden: de Vlaams regering van minister-president Jan Jambon (N-VA) wilde drastisch besparen op de projectsubsidies. Na weken van protest bond de regering in. Het protest had iets opgeleverd.

Even later werd de cultuursector geconfronteerd met de coronacrisis, die veel dieper in haar vlees zou snijden dan een besparing op de projectmiddelen.

De komende maanden en jaren zijn cruciaal voor de kunstenaars. Zij moeten zichzelf en hun sector meer dan ooit opnieuw herdefiniëren. Bovenal moeten zij zich nog meer organiseren dan nu al het geval is. Een gesprek over die uitdagingen met actrice en columniste Julie Cafmeyer en cultuursocioloog Pascal Gielen (Universiteit Antwerpen).

De economische crisis die we verwachten na corona treft alle sectoren, maar de cultuursector wordt bijzonder zwaar getroffen. Hoe komt dat?

Pascal Gielen: Daar zijn twee belangrijke redenen voor. Kunst bestaat niet zonder publiek. Zelfs een tentoonstelling met alleen maar objecten heeft een publiek nodig. Daarnaast heb je de economische situatie van muzikanten en acteurs als freelancers. Die situatie is de laatste tien à twintig jaar veel prangender geworden. Door de komst van de streamingdiensten kan je in de muzieksector opeens alleen nog van live concerten leven. Mensen in die situatie worden veel makkelijker geraakt in om het even welke crisis.

Het heeft dus heel sterk te maken met het freelancestatuut. Ook grote orkesten gaan meer en meer met freelancers werken, zonder vast contract of vast statuut. Deze mensen kunnen veel moeilijker aanspraak maken op de sociale zekerheid via een vervangingsinkomen, of op een inkomen dat gewoon blijft doorlopen.

Wij waren tijdens deze coronacrisis vrij trots dat we in ons land een solide sociale zekerheid hebben. De tijdelijke werkloosheid zou maken dat mensen nooit volledig zonder inkomen vallen. In het slechtste geval kan je terugvallen op een leefloon van het OCMW. Maar,Julie, jij kaart aan dat die maatregelen van het reguliere systeem toch niet echt op maat van de kunstenaar gemaakt zijn.

Julie Cafmeyer: Andere werknemers zijn vaak ingeschreven als bediende. Dat je als kunstenaar niet bent ingeschreven, biedt je ook een vorm van vrijheid. Je moet niet van negen tot zes uur op kantoor doorbrengen.

‘Kunstenaars worden wel uitgenodigd om een tentoonstelling op te zetten, maar worden dikwijls niet betaald.’

Tijdens de crisis viel mij wel op dat culturele centra meteen vroegen om een filmpje te maken voor het grote publiek. Dat voelde wat ongemakkelijk aan. Trajecten voor kunstenaars in de huizen bestaan al. Maar die leggen vooraf al de structuur op. Je wordt geacht een bepaald aantal voorstellingen te maken binnen een afgesproken termijn. Ik ben als kunstenaar op zoek naar ruimte, in plaats van mezelf onderhevig te maken aan opgelegde structuren. Structuren die in dit geval niet eens betaalden voor de gevraagde filmpjes.

Bricoleren aan een carrière

Pascal, jij hebt daar een boek over geschreven. Kunstenaars “bricoleren” hun carrière vaak bijeen. Het ene moment heb je een job, het andere heb je een partner die wat meer financiële ruimte heeft. Op nog andere momenten heb je succes, verkoop je wat boeken en kan je weer even verder… Maar eigenlijk is het ingebakken in het systeem dat zulke arbeidsrelaties voorkomen.

Pascal Gielen: Dat is inderdaad ingebakken in onze cultuur. In onze perceptie is een kunstenaar toch vooral bezig met zijn hobby, en doet hij dus de dingen die hij graag doet.

Subsidiërende overheden, maar ook culturele instellingen, spelen heel sterk in op symbolisch kapitaal. Kunstenaars worden wel uitgenodigd om een tentoonstelling op te zetten, maar worden dikwijls niet betaald. De redenering is dan dat je via die tentoonstelling wat krediet opbouwt om elders je geld op te halen. Dat systeem kan op termijn niet blijven bestaan, en de coronacrisis heeft dat nog eens extra in de verf gezet.

© Arne Focketyn

Toch zeggen experts dat de economische meerwaarde die met de kunsten wordt gegenereerd groter is dan in de chemische industrie.

Pascal Gielen: De creatieve industrie kan je natuurlijk heel smal en heel breed definiëren. Bij Richard Florida in The Rise of the Creative Class zijn zelfs boekhouders creatieve ondernemers. In ieder geval hebben experts berekend dat de creatieve industrie in Duitsland in de rangorde net na de auto-industrie komt.

Daar staat tegenover dat overheden deze sector sterk uitbuiten. Ze weten immers dat dit allemaal mensen zijn die met een groot hart hun ding willen doen.

Julie Cafmeyer: Je kan een som te laag vinden of de voorwaarden onvoldoende. Maar als je een opdracht weigert, staan er al vijf anderen te wachten die de opdracht wel onder die voorwaarden willen doen. Als kunstenaar heb je een zwakke positie, waardoor je je gevoel van eigenwaarde soms verliest.

‘Kunst is er net om te tonen dat het anders kan, of wat er ook nog anders kan, dat er niet één model is.’

Pascal Gielen: En dat weten programmatoren ook.

Julie Cafmeyer: Soms vragen ze je wel iets te onderzoeken, maar stellen ze al snel de vraag wanneer de output volgt, wanneer is iets klaar, wanneer het tekstje af is. Ze zeggen: ‘Werk je subsidiedossier maar uit en dien het in. Als je het geld binnenhaalt, mag je je stuk komen maken. Indien niet, dan zoeken we iemand anders.’

Ik heb vrienden die al tien jaar bezig zijn. Zeer goede kunstenaars. En toch moeten ze zich elke keer opnieuw bewijzen, elke keer opnieuw ervoor knokken.

Weg uit de onderdanigheid

Er was tijdens de crisis ook een grote solidariteit via digitale weg. Misschien komt er wel een heel digitaal luik vrij, waardoor het speelveld voor de kunsten nog groter wordt?

Julie Cafmeyer: Voor mij was het wel opvallend dat je geen plek meer had om creatief bezig te zijn, om te creëren. Misschien was het naïef, maar ik zou het wel fijn gevonden hebben als men ons studio’s had aangeboden. Met de boodschap: ‘We zullen jullie ondersteunen en het resultaat tonen, zonder dat we daarvoor een format opleggen.’ Dat zou eigenlijk heel simpel zijn, maar ik heb dat toch niet gezien.

Is de hele sector te veel opgesloten in regels, dossiers en procedures?

Julie Cafmeyer: Ik heb het daar moeilijk mee. Al die dossiers en die regels staan in de weg van kunst. Kunst is er net om te tonen dat het anders kan, of wat er ook nog anders kan, dat er niet één model is.

Pascal Gielen: Ik zie dat ook bij de doctorandi in de kunst, voor wie we in feite een soort van alternatieve subsidiepot hebben gemaakt. Eigenlijk vragen velen om opnieuw wat tijd te krijgen, om uit de productielogica te kunnen stappen, om te kunnen herbronnen. En dus vragen ze ook naar een duurzame manier om creativiteit te kunnen vasthouden.

Je ziet immers vaak dat kunstenaars leven van project naar project. In de loop van een project dat nog niet af is, zijn ze al aan het denken aan het volgende project. Voortdurend zijn ze bezig met een mentale sollicitatie. Dat legt de creativiteit droog.

© Arne Focketyn

‘Het is er wanneer je als kunstenaar in een systeem moet meedraaien dat eigenlijk het jouwe niet is. Waar je je niet lekker bij voelt, waar je in wordt gedwongen.’

In een bui van pessimisme zou je de neiging hebben om te denken dat het vroeger beter was. Is dat dan zo? Artiesten met een vast loon klaagden toen ook.

Julie Cafmeyer: Het basisinkomen zou een oplossing zijn voor artiesten, maar ook voor mensen in slechte werkomstandigheden, zoals bij Bol.com en Amazon. Een basisinkomen betekent dan dat je je waardigheid terugkrijgt.

Nog erger is het wanneer je als kunstenaar in een systeem moet meedraaien dat eigenlijk het jouwe niet is. Waar je je niet lekker bij voelt, waar je in wordt gedwongen. Het is essentieel voor een kunstenaar om zelf een realiteit en mogelijkheden te scheppen. In een structuur meedraaien heeft iets heel onderdanig: omdat het zo is, omdat het zo moet. Omdat ik moet overleven, omdat…

Pascal Gielen: We kunnen natuurlijk met de vinger wijzen naar theaters, instellingen en overheden. Maar ik wil er toch op wijzen dat kunstenaars zich heel moeilijk samen organiseren, omdat ze elk afzonderlijk hun eigenheid willen hebben.

Er zijn trouwens bijzonder weinig kunstenaars bij een vakbond. Zij weigeren dat. Het is taboe. Maar ook collectieve zelforganisatie zie je bijzonder weinig. Dat begint wel te veranderen, met de acties van SOTA (kunstenaarscollectief State of the Arts, red.) bijvoorbeeld.

‘Mij zo waardeloos voelen, dat kan alleen in de culturele sector.’

Ik ben geen voorstander van een tegenprestatie in ruil voor een basisinkomen. Daar is onderzoek naar gedaan. Als je mensen een basisinkomen geeft voor een periode of voor een lifetime, dan gaan ze veel harder werken dan voordien. Ze hebben de keuze om een job te doen waar ze zin in hebben.

Een overheid vertrekt best niet vanuit een management van wantrouwen, maar één van vertrouwen. Een basisinkomen moet er niet alleen komen voor de kunstensector, maar moeten we uitbreiden naar de hele freelancesector. Zo bieden we een antwoord op de huidige werksituatie, veel beter dan in collectieve arbeidsovereenkomsten. Vakbonden werken echter nog steeds met het klassieke, fordistische systeem.

Julie Cafmeyer: Ook ik vind het heel inspirerend om te vertrekken vanuit vertrouwen. Het kunstenaarsstatuut is immers in zekere zin ook vernederend. Je moet je aanbieden bij de VDAB, en eigenlijk mag je op bepaalde momenten ook niet naar het buitenland. Je bent zogezegd aan het werk. Met een basisinkomen krijg je erkenning. Als een theaterbaas iets vraagt, kan je autonoom beslissen om te weigeren. We moeten weg uit die onderdanigheid.

Pascal Gielen: Je versterkt dan inderdaad je onderhandelingspositie.

Julie Cafmeyer: Alleen in de culturele sector kan ik mij zo waardeloos voelen. Ik heb dat bijvoorbeeld minder als ik mijn column voor de media schrijf.

Cocreatie en nabijheid

In de niet-gesubsidieerde sector heb je de commerciële druk. Dat heeft een invloed op de producten die gemaakt worden. Ook in een niet-gesubsidieerd systeem moet je je conformeren aan een bepaald systeem, of aan de verwachtingen van de jury die en vogue zijn. Dat is ook een beperking van de vrijheid.

Julie Cafmeyer: Ik had een goede mentor in mijn opleiding. Die adviseerde me om gewoon ja te knikken en vervolgens gewoon mijn eigen zin te doen.

Pascal Gielen: Ik denk dat er ook gedacht kan worden aan andere vormen van subsidies. We hebben nu te maken met een bureaucratisch systeem waarin een jury beslist en waarin er soms politieke inmenging is.

‘Ik ken heel wat gezelschappen waar de zakelijke leiding voltijds in dienst is en de artistieke leiding een half jaar lang van een uitkering moet leven.’

Maar je zou ook kunnen zeggen dat iedereen die naar subsidie vraagt, ook mee mag onderhandelen. Dan krijg je een heel andere manier van beslissingen nemen, waarbij men samen met elkaar tot een verdeling moet komen. Je zou kunnen opwerpen dat de concurrentie daardoor nog groter wordt. Maar je krijgt wel meer cocreatie, meer samenwerking, ook op zakelijk vlak, waardoor je eigenlijk bespaart.

Ik pleit ervoor om de hele keten van de creatieve sector om te keren. Wie belangstelling krijgt vanuit het publiek, staat op het podium. Maar als je naar de inkomsten kijkt, staat diezelfde persoon onderaan de ladder. De organisatoren, de programmatoren, de zakelijk leiders staan daar allemaal boven.

Ik ken heel wat gezelschappen waar de zakelijke leiding voltijds in dienst is en de artistieke leiding een half jaar lang van een uitkering moet leven. Dat is iets wat we moeten achterlaten. Als je veel meer investeert in kunstenaars dan in instellingen, dan verbeter je opnieuw de onderhandelingsmogelijkheden van die kunstenaar.

Je kan daar heel andere regels over ontwikkelen op overheidsniveau. Nu gebeurt alles top-down. Ik ben voor een bottom-upsysteem, waarbij je heel wat kan investeren in zelforganisatie. Kunstenaars zijn jarenlang sterk bezig geweest met hun eigen autonomie. Ze hebben weinig nagedacht over hoe ze zich autonoom kunnen organiseren in een samenleving.

Wat kunnen nog leren uit de crisismaanden?

Pascal Gielen: Zoals elke crisis geeft ook COVID-19 enorm veel creativiteit aan mensen. Dat isolement houdt een mens echter niet lang vol. Het is gewoon niet des mensen. Het is goed geweest voor een tijd, en we kunnen er lessen uit leren.

Mondmaskers waren en zijn het minste. Het livegebeuren is essentieel. Ik begrijp mijn puberkinderen heel goed: je kan geen Rock Werchter organiseren met afstandsregels. Daar zie je hoe belangrijk het aspect van sociale relaties is. Nabijheid is heel belangrijk voor mensen, ook in de beleving van kunst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2848   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift