Een scenario waar Ionescu de vingers bij zou aflikken

Zum kotzen, die logica van Vreemdelingenzaken

© Brecht Goris

Geert Van Istendael

Eén van mijn medeburgers in het dorpje waar ik mij december vorig jaar vestigde, is een Afghaan. Een vluchteling die hier asiel zoekt en hij heeft een zoon mee kunnen brengen. Zijn naam is Aziz Heidari, zijn kind heet Ali. Zoiets als Piet en Jan dus, maar dan op zijn middenoostens. De twee wonen hier een jaar of drie. Langer dan ik.

Mijn medeburger spreekt passabel Nederlands, hij heeft ijverig taallessen gevolgd.

Zijn zoon, ach, u weet hoe dat gaat met kinderen. Eerst ging hij naar de lagere school hier om de hoek. Ouders van klasgenootjes brachten hem Nederlands bij, één op één, dan maak je snel vorderingen. Hij speelde basketbal en daarna schakelde hij over op voetballen.

Sjotten. Zo herkenbaar. Mens, wat heb ik zelf gesjot toen ik een jaar of twaalf, dertien was. Als een gek achter een bal aandraven, blijkbaar kunnen de ketten het nog altijd niet laten. Waarom zouden ze ook? Voor ik het vergeet, Ali zit bij de padvinders. Nog iets wat de snotapen al sinds mensenheugenis niet kunnen laten, door de bossen hossen. Was ik niet zo oud en stijf, ik zou meehossen.

Het joch is nu al veertien, hij gaat naar de middelbare school. Vader werkt in de supermarkt. Ja, in dit gezegende dorp hebben we een supermarkt, een bloeiende zaak, je ziet er voortdurend medeburgers tussen slaolie, koffie en zeep laveren of anders staan ze stil, verdiept in belangrijke gesprekken met andere medeburgers. Dat het dorpsgenoten zijn, hoor ik aan hun taal, verwant met mijn vertrouwde Brussels, maar toch heel anders. Je hoort er ook Frans, want wij wonen op de taalgrens. Ma of pa van een klasgenoot van sjottende zoon heeft vader Aziz voorgesteld aan de baas van de supermarkt en die gaf hem meteen werk. Ik heb Aziz eens uit een ooghoek gezien, toen ik weer eens melk en bier moest inslaan. Niks bijzonders. Een doodgewone meneer die rekken vult.

Even samenvatten.

Nederlands spreken. Eerlijk werk. Kind naar school en jeugdbeweging. Hoe noem je zoiets? Juist. Integratie.

En laat het nu net dát zijn wat Vreemdelingenzaken hem kwalijk neemt.

Vreemdelingenzaken wil namelijk mijn dorpsgenoot terugsturen naar Afghanistan. Verslik u niet, waarde lezer, in mijn dorp hebben er zich al velen verslikt. Het dossier van vader en zoon bevat een reeks verhalen – het juiste woord is, geloof ik, getuigenissen – van de bakker, de mensen van de supermarkt, de padvinders, de mensen van de school en veel anderen, zelfs plaatselijke politici, maar dat is allemaal van geen tel.

De asielaanvaag wordt afgewezen, hoger beroep wordt verworpen, regularisatiedossier ofte asielaanvraag om humanitaire redenen krijgt een negatieve beoordeling.

De argumentatie van Vreemdelingenzaken is grondstof voor absurdistisch theater. Ionesco, Adamov of Dürrenmatt hadden er dankbaar gebruik van kunnen maken. Over Kafka zal ik het maar niet hebben.

De logica van Vreemdelingenzaken gaat zo.

Een kerel die vlotjes werk vindt in een Vlaams dorp, kun je die wel vertrouwen? Zo’n handige bliksem, zo’n linkmichiel, zo’n ladelichter, knopendraaier, triefelaar? Die plantrekker zal vast geen enkel probleem hebben om zich in aan te passen, daar in Afghanistan.

Aldus de logica van Vreemdelingenzaken.

Dus. Je integreert volgens het boekje. Hoera, da’s een goeie reden om je het land uit te gooien.

Stel even, mijn dorpsgenoot had geweigerd Nederlands te leren en hij was koppig een of ander baardig geloof blijven belijden. Hoera, da’s een goeie reden om hem het land uit te gooien.

Simpel, niet?

Kop of munt, doet er niet toe, je wordt eruit gekukeld.

Dat de man, ja, vader dus, al meer dan twintig jaar niet meer in Afghanistan is geweest omdat zijn ouders al op de vlucht sloegen voor de taliban, doet er niet toe.

Dat de zoon nooit één voet heeft gezet in Afghanistan, dat het jong intussen meer Belg of Vlaming is dan iets anders, doet er niet toe.

Ha ja, asielzoekers, dat weet je toch, dat integreert hier nooit. Dus weg ermee!

Ha ja, asielzoekers, dat weet je toch, dat integreert hier nooit. Dus weg ermee!

Maar hela, hola, Vreemdelingenzaken, wacht even. bedenk: deze meneer, officieel werk, Nederlands, deze jongen, school, Nederlands, padvinders!

Blijkbaar zijn wij, dorpsbewoners, een stelletje naïeve koorknapen. Ja, naïef, dat zijn we. Je bent naïef als je durft te verwachten dat Vreemdelingenzaken een beetje zindelijk redeneert.

Nee dus.

Ik ben niet erg sentimenteel van aard en mijn kop is helder, voorlopig toch nog, maar dit vertoon van lompheid kwetst me persoonlijk. Dat heeft twee oorzaken:

— Mijn eigen vader is geboren in een vluchtelingenkamp, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het was een goed georganiseerd kamp, Elizabethville in Birtley, onder de rook van Newcastle, maar toch. In die jaren hadden meer dan tweehonderdduizend Belgen veiligheid gevonden in Engeland en nog veel meer in Nederland en Frankrijk. Ik bezit een foto van de kamer waar mijn vader geboren werd. Eronder staat: Belgian Refugee Camp. De eerste namen van vluchtelingenkinderen die ik hoorde, waren niet Ali of Fatma, maar Jef en Gust en Yvonne.

— Een jaar of twintig geleden hebben wij bij ons thuis, nog lang en breed in Brussel, een paar jaar een Afrikaanse asielzoeker geherbergd. Toen heb ik van nabij de bokkensprongen kunnen observeren waaraan de Belgische ambtenarij zich te buiten ging en ook de angsten die de vluchteling kunnen overvallen. Enfin, de man is nu allang Belg, we hebben hem door de achterpoortjes van de wet naar binnen gesmokkeld. U kunt een en ander lezen in mijn verhaal Berichten uit de burcht (uit: Veldwerk in Vlaanderen, Amsterdam, Atlas, 2000).

Er is nog iets anders. Op wat Vreemdelingenzaken decreteert, kun je de spreekwoordelijk geworden uitspraak toepassen van Joseph Fouché, hoofd van de Franse politie onder Napoleon: C’est pire qu’un crime, c’est une faute.

Ze worden daar bij Vreemdelingenzaken niet gehinderd door enige kennis van zaken. Ze gaan er van uit dat Afghanistan een veilig land is. Dat druist in tegen het oordeel van zowat alle deskundigen, waar ook ter wereld.

Het gaat nog verder.

Afghanistan is een lappendeken van volkeren en talen, Patanen, Tadzjieken, Oezbeken, Turkmenen, Beloetsjen, enz. enz. Aziz maakt deel uit van de minderheidsgroep der Hazara’s. Zij wonen én in Afghanistan én in Pakistan én in Iran én in Tadzjikistan. De grenzen in die berglanden zijn al even krankzinnig als de grenzen van de Brusselse gemeenten, maar dan in het heel groot en in het levensgevaarlijk. De meesten van de Hazara’s zijn sjiieten. Ze worden al eeuwen vervolgd en onderdrukt door de hen omringende meerderheid van soennieten. De taliban bijvoorbeeld doen dat met de sinistere ijver. Het is echt geen toeval dat de ouders van Aziz al naar Iran zijn gevlucht. De taliban, die zijn zo menslievend als de Waffen SS.

Wie nu zou denken dat ik een volleerd afghanoloog ben of godbetert een hazaroloog, die moet ik teleurstellen. Ga tien minuten zoeken op het internet en je sprokkelt al de bovenstaande weetjes bij elkaar en nog een hele hoop meer. Tien minuten, vooruit, een kwartier, en je bent iedere illusie over een veilig Afghanistan kwijt. Indien je nog illusies mocht hebben, want iedereen die weleens een krant leest of een tv-journaal bekijkt weet dat Afghanistan even veilig is als een vuurgevecht tussen maffiaclans.

Kom me niet vertellen dat ze bij Vreemdelingenzaken te stom of te lui zijn om dat kwartiertje op het internet te surfen. Straks moet ik nog gaan denken dat het onwil is. Botte onwil. Daar kan ook de voorbeeldigste integratie niet tegenop.

Zum kotzen, noemen ze dat in mijn geliefde Duits. Ik kan geen treffender woorden bedenken.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.