Dossier: 
Uit de puinhopen. Een nieuwe politiek in een tijd van crisis

George Monbiot: ‘De nieuwe participatiecultuur als fundament voor een vernieuwde politiek’

HumanityPassport Project (CC BY 2.0)

 

De Britse journalist George Monbiot publiceert een nieuw boek: Uit de puinhopen. Een nieuwe politiek in een tijd van crisis. Daarin gaat hij op zoek naar de oorzaken van de actuele perfect storm waarin ecologische, sociale en culturele crisissen samenkomen, maar hij focust vooral op uitwegen, en op de voorwaarden om oplossingen draagvlak en slagkracht te geven. Centraal daarin staat een pleidooi om de samenleving te herstellen. We publiceren een ingekorte versie van hoofdstuk vijf. In het Engels heet dat Belonging, in het Nederlands werd dat vertaald als Saamhorigheid.

Het belang van belonging vat Monbiot samen in deze zin: ‘Als vervreemding het punt is waarin al onze crises samenkomen, is saamhorigheid het middel om die tegemoet te treden.’ Het is een gelaagd begrip, zegt hij: ‘De filosoof Kimberley Brownlee benoemt drie soorten saamhorigheid: belonging with, belonging to en belonging in die zich min of meer in het Nederlands laten vertalen als ‘bij elkaar horen’, ‘ergens toe behoren’ of  ‘ergens thuishoren’.

Een politieke beweging vereiste een politieke gemeenschap

Vanaf onze vroege kindertijd hebben we een sterke behoefte aan al deze verschillende vormen van saamhorigheid; we willen deel uitmaken van (toebehoren aan) een gezin en een samenleving, en daarbinnen willen we een plek hebben die aan ons toebehoort, zodat er sprake is van wederkerigheid en we ons op ons gemak kunnen voelen met die omgeving. Een effectieve politiek erkent deze behoefte aan saamhorigheid en weet die te mobiliseren.

Als we de geschiedenis doornemen, valt het op dat zelfs organisaties die inmiddels als zeer sterk op de staat gericht worden beschouwd, het belang van het herstel van het gemeenschapsleven onderkenden. Een bevolking die de vruchten zou plukken van de inzet van anderen zonder daar zelf iets voor terug te doen, zou geleidelijk aan alle betrokkenheid verliezen. Een politieke beweging vereiste een politieke gemeenschap.

Het heft weer in eigen handen nemen

Voordat ik verder ga wil ik duidelijk maken dat ik hiermee niet het belang van inkomensvoorziening door de staat wil ontkennen. Sociale voorzieningen hebben armoede en ellende de wereld uit geholpen die zo heftig waren dat veel mensen zich daar nauwelijks nog een voorstelling van kunnen maken. Maar bijstand kan ook, onbedoeld, het gemeenschapsleven uithollen en mensen isoleren in een stel voederkuilen waar diensten worden geleverd die volkomen losstaan van hun bijdrage aan de maatschappij, zodat hun banden met de samenleving verzwakken en hun gevoel erbij te horen verflauwt. Tenzij een systeem van sociale voorzieningen vergezeld gaat van een bloeiend gemeenschapsleven kan het de mensen in een afhankelijke en geïsoleerde toestand achterlaten waarin ze hard geraakt kunnen worden door bezuinigingsmaatregelen.

Wat mij betreft hebben we allebei nodig: goede sociale voorzieningen en herstel van de gemeenschap

Wat mij betreft hebben we allebei nodig: goede sociale voorzieningen en herstel van de gemeenschap. Alleen door een gemeenschappelijk doel kunnen we voorkomen dat wat we van waarde achten kapot wordt gemaakt, en zorgen dat er iets tot stand wordt gebracht wat we wél willen. Dit gemeenschappelijk doel moet dieper en breder zijn dan het soort doelen dat alleen door politieke actie te bereiken valt.

Toevallig zijn we tegenwoordig in vele delen van de wereld gezegend met een revival van de participatieve subcultuur, die in uitbundigheid de jaren rond 1890 naar de kroon steekt.

Participatiecultuur

In steden en dorpen overal ter wereld zijn we getuige van een explosieve opleving van burgerzin, waarbij mensen de handen ineenslaan om hun samenleving van onderaf weer op te bouwen. Onder de duizenden voorbeelden zijn gemeenschappelijke tuinen en winkels, koffiehuizen en zangkoortjes, theeclubs, dorpsfestivals, ontwikkelingsmaatschappijen, straatfeesten en buurtlunches.

Time banking, dat in Japan begon, laat deelnemers de tijd die ze aan sociale projecten besteden, ruilen met andere mensen.  Zo kunnen ze bijvoorbeeld wat punten verdienen door een bejaarde buurvrouw te helpen met de boodschappen, en die punten dan besteden aan een babysitter.

In steden en dorpen overal ter wereld zijn we getuige van een explosieve opleving van burgerzin, waarbij mensen de handen ineenslaan om hun samenleving van onderaf weer op te bouwen

Met behulp van lokale munteenheden wordt hier en daar geprobeerd om economieën te verankeren in lokale gemeenschappen, doordat het geld niet elders besteed kan worden. (Tot nu toe is het succes van deze projecten nogal wisselend.) Kerken, moskeeën en andere religieuze organisaties hebben nieuwe maatschappelijke organisaties opgericht om de sociale leegte te vullen: soms brengen die mensen uit verschillende culturen en van verschillende religieuze overtuigingen bijeen, en soms drijven ze die juist uit elkaar.

Bij niet-religieuze diensten, zoals de Sunday Assembly, wordt de functie van een dienst of mis – onderlinge banden aanknopen – nagebootst zonder dat daarbij een bepaalde religie wordt aangeroepen. Technische workshops helpen mensen computercode te leren schrijven, met nieuwe technologieën om te gaan en nieuwe apparaten uit te vinden.

Groepen als Playing Out die straten in tijdelijke speeltuinen veranderen, betrekken inmiddels de hele gemeenschap bij hun projecten – ook mensen zonder jonge kinderen – doordat ze mensen stimuleren om zich in te zetten voor straten die gastvrijer zijn voor fietsers en voetgangers. Speelbijeenkomsten worden gebruikt om speelgoed en kleren in te zamelen voor achterstandsgezinnen. Playing Out rapporteert een potentiële verschuiving in het wereldbeeld van de kinderen. Zien dat volwassenen actie ondernemen kan ‘van invloed zijn op hun beeld van de democratie en hun het gevoel bezorgen dat ze iets kunnen veranderen en als ze eenmaal groot zijn ook werkelijk iets te zeggen zullen hebben.’

Dikke netwerken opbouwen

Het omvormen van dergelijke initiatieven tot een bredere maatschappelijke wederopleving houdt in dat er ‘dikke netwerken’ ontstaan: projecten die zich steeds verder uitbreiden en nieuwe projecten en ideeën voortbrengen, die niet voorzien waren bij het opstarten van het oorspronkelijke project. Zo kan met dergelijke projecten zich een participatiecultuur ontwikkelen die aantrekkelijk en relevant is voor iedereen, en dus niet vooral voor maatschappelijk betrokken types met veel vrije tijd.

De Londense deelgemeente Lambeth heeft opdracht gegeven tot een onderzoek waarbij werd uitgezocht hoe het ontstaan van dergelijke netwerken bevorderd kan worden. Een cruciaal aspect daarvan is dat minstens enkele van de betrokken projecten zo laagdrempelig moeten zijn dat mensen met weinig geld, opleiding of vertrouwen in hun eigen sociale vaardigheden er zonder veel moeite aan kunnen deelnemen. Anders kan de participatiecultuur vastlopen in de soort ‘exclusieve, feelgood Facebook-stadscultuur van de over goede contacten beschikkende middenklasse.’

Succesvolle gemeenschapsprojecten zijn over het algemeen, net als bepaalde tech-startups, kwiek en kleinschalig

Met een breed scala aan laagdrempelige en weinig inzet vergende activiteiten kun je bijna iedereen binnenhalen. Idealiter stellen dergelijke activiteiten mensen in staat om even binnen te wippen zonder dat ze veel van hun tijd en energie hoeven vrij te maken of moeten toezeggen dat ze vaker meedoen. Samen koken en eten is vaak een eerste stap. Zoiets kan gezien worden als fundamenteel voor het vestigen van een samenleving – de oorspronkelijke betekenis van het Engelse woord companion (metgezel) is ‘degene die het brood breekt met een ander’ (com is `met’ en panis is `brood’). Mogelijke positieve bijverschijnselen van dergelijke kameraadschap zijn het uitwisselen van kookvaardigheden, kostenbesparing en gezonder eten.

Samen voor de kinderen zorgen, samen inkopen doen, eenvoudige vaardigheden aanleren, gereedschap en apparatuur delen en iets maken, repareren of verstellen, zijn eveneens nuttige eerste stappen. Succesvolle gemeenschapsprojecten zijn over het algemeen, net als bepaalde tech-startups, kwiek en kleinschalig: ze beginnen met weinig geld, en ontwikkelen zich in hoog tempo, door gewoon maar wat te proberen en van hun ervaringen te leren. Ze komen voort uit samenwerking tussen buurtbewoners, die idealiter over een breed scala aan vaardigheden en capaciteiten beschikken.

Dergelijke projecten brengen over het algemeen andere projecten voort, zodat er steeds meer mensen kunnen deelnemen. Als er eenmaal voldoende projecten zijn gestart, kunnen die leiden tot een omslag naar diepere betrokkenheid en het ontstaan van in de lokale gemeenschap gewortelde bedrijfjes, coöperaties en hybride projecten, die mensen in dienst nemen en inkomen genereren.

Om de drempel te bereiken waarbij de participatiecultuur in de gehele gemeenschap weerklank vindt, en zelfs voordelen oplevert voor niet rechtstreeks betrokkenen, zal waarschijnlijk hulp van de lokale overheid nodig zijn.

Om de drempel te bereiken waarbij de participatiecultuur in de gehele gemeenschap weerklank vindt, en zelfs voordelen oplevert voor niet rechtstreeks betrokkenen, zal waarschijnlijk hulp van de lokale overheid nodig zijn.Volgens het onderzoek in Lambeth is dergelijke hulp uiterst kosteneffectief: het ondersteunen van een dikke participatiecultuur kost in Groot-Brittannië ongeveer £ 400.000 per vijftigduizend inwoners: dat is ruwweg 0,1 procent van de gemeentelijke begroting. Waarschijnlijk zal een dergelijke investering zichzelf vele malen terugbetalen doordat er minder beroep wordt gedaan op de geestelijke gezondheidszorg en het maatschappelijk werk, door een daling van het aantal misdrijven en gevallen van recidive, en door minder verslaving aan alcohol en drugs. Voor mensen die lijden onder ernstige achterstanden zou massaparticipatie ‘de beschermende factoren opvoeren tot op een niveau dat veel hoger ligt dan het huidige’. De onderlinge hulp die zich in dergelijke gemeenschappen ontwikkelt, gaat fungeren als een tweede maatschappelijk vangnet.

Als 10 tot 15 procent van de lokale bewoners regelmatig aan de projecten deelneemt, wordt een omslagpunt bereikt. De gemeenschap neemt dan vaste vorm aan, wat leidt tot de opbloei van allerlei maatschappelijke projecten en nieuwe activiteiten. Participatie wordt dan als normaal gezien en ook de rest van de bevolking raakt betrokken. Omdat banen over het algemeen plaatselijk worden gecreëerd – bijvoorbeeld in de vorm van door de gemeenschap opgezette winkels, bars en projecten voor het opwekken en verdelen van energie – kunnen meer mensen dicht bij huis werken, wat hechting en een gevoel van eigenaarschap bevordert, wat de lokale gemeenschap misschien ook wat minder vluchtig maakt. In het onderzoeksverslag wordt geschat dat zo’n traject een jaar of drie kost.

Wederzijdse versterking

Dergelijke projecten verlenen buurten en wijken over het algemeen meer eigenheid en maken ze interessanter en levendiger. Ze kunnen ertoe leiden dat mensen die tot dan toe buitengesloten waren, of tegen wie vooroordelen bestonden, geworteld raken in de plaatselijke gemeenschap. Ze kunnen genezing bieden voor maatschappelijke isolatie.

Het stimuleren van betrokkenheid bij de gemeenschap kan door overheden als voorwendsel worden gebruikt om allerlei maatschappelijke problemen af te wentelen op de lokale gemeenschap

In sommige gevallen zouden dergelijke projecten zelfs mensen kunnen weglokken van de sociale media, zodat ze meer betrokken raken bij de samenleving – al realiseer ik me dat dit voor vele mensen de grenzen van het geloofwaardige te boven gaat. De gevolgen voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid kunnen zo ingrijpend zijn dat sommige artsen ‘sociale recepten’ zijn gaan uitschrijven, en mensen doorverwijzen naar groepen die vrijwilligerswerk doen in plaats van medicijnen uit te delen of door te verwijzen naar een specialist.

Natuurlijk liggen hier gevaren: het stimuleren van betrokkenheid bij de gemeenschap kan door overheden als voorwendsel worden gebruikt om allerlei maatschappelijke problemen af te wentelen op de lokale gemeenschap. In Groot-Brittannië is dit in recente tijden twee keer gebeurd, bij Margaret Thatchers versie van ‘zorg binnen de eigen gemeenschap’ en bij David Camerons Big Society. Beide projecten stelden zich ten doel om de gemeenschap als substituut voor de staat te gebruiken en haar te belasten met opgaven die te zwaar voor haar waren. De beschermingsmechanismen van staat en gemeenschap dienen elkaar wederzijds te versterken en niet als alternatief voor elkaar behandeld te worden.

Gedeelde belangen

Wie vraagt hoe de participatiecultuur het politieke leven nieuwe energie kan geven, laat blijken niet te begrijpen waar het hierom gaat: de participatiecultuur is het politieke leven. Over het algemeen gaat het hierbij niet om politieke partijen of verkiezingen, al is de participatiecultuur op beide duidelijk van invloed. De participatiecultuur schept maatschappelijke solidariteit door met voorstellen voor een betere wereld te komen en die ook daadwerkelijk uit te voeren. Ze schept hoop waar hoop afwezig leek. Ze geeft het lokale bestuur opnieuw vorm door zaken anders aan te pakken. Ze stelt ons in staat om over politieke scheidslijnen heen te reiken en iets gezamenlijks in gang te zetten. Dit leidt vrijwel onvermijdelijk tot een vriendelijkere sfeer in het openbare leven. Kunnen we hier misschien ook de democratie nieuw leven mee inblazen?

In hun fascinerende en huiveringwekkende boek Democracy for Realists betogen de hoogleraren sociologie Christopher Achen en Larry Bartels dat de democratie anders werkt dan eigenlijk zou moeten volgens de ‘volkstheorie van de democratie’, dat is het idee dat burgers samenhangende en begrijpelijke beleidsbeslissingen nemen, waar overheden vervolgens naar handelen. In werkelijkheid zou de democratie nooit zo kunnen functioneren.

Kiezers, zo stellen ze, kunnen niet beantwoorden aan de verwachtingen die worden gewekt door dit naïeve beeld. De meesten van ons hebben het te druk met werk en gezin en onze eigen beslommeringen. Als we eens wat tijd over hebben, zullen slechts weinigen van ons ervoor kiezen om die te besteden aan het doornemen van ingewikkelde beleidskwesties. En zelfs als we daar wél voor kiezen, gedragen we ons anders dan we op basis van de volkstheorie zouden verwachten.

We baseren onze politieke beslissingen niet op wat we denken, maar op wie we zijn

Dit idee van democratie dat breed aangehangen wordt, is gebaseerd op een uit de Verlichting stammend beeld van rationele keuze, dat suggereert dat we politieke besluiten nemen door informatie op te zoeken, die op haar waarde te beoordelen, en op grond van dat oordeel te bepalen wat een goed beleid is. Daarna proberen we dan – nog steeds volgens de volkstheorie – een bestuur te kiezen dat zijn best zal doen om dit beleid uit te voeren en daarbij concurreren we, dan met andere rationele kiezers, en streven we ernaar om kiezers die nog niet tot een besluit gekomen zijn met redelijke argumenten voor onze standpunten te winnen. Het door Achen en Bartels gebruikte onderzoeksmateriaal suggereert echter dat de meeste mensen vrijwel geen nuttige kennis over het beleid en de implicaties daarvan hebben, er weinig voor voelen om hun gebrekkige kennis bij te spijkeren, en een sterke afkeer hebben van politieke meningsverschillen. We baseren onze politieke beslissingen niet op wat we denken, maar op wie we zijn.

Diego Torres Silvestre (CC BY 2.0)

 

Met andere woorden, in politiek opzicht handelen we niet als individuele, rationele wezens, maar als leden van maatschappelijke groeperingen die hun sociale identiteit tot uiting brengen. We stemmen op de politieke partijen die het beste lijken aan te sluiten bij ons culturele milieu, zonder er uitgebreid bij stil te staan of hun beleid eigenlijk wel in ons belang is. Betere informatie en onderwijs over maatschappelijke thema’s lijkt daar geen verbetering in te brengen, want politiek welingelichte mensen – en dat zijn er maar heel weinig – zijn geneigd om met behulp van die kennis een rechtvaardiging te zoeken voor hun eigen meningen in plaats van die kritisch onder de loep te nemen. Kennis van de politiek, betogen Achen en Bartels, ‘versterkt vooroordelen’.

Een mogelijke conclusie uit dit onderzoek is dat als politiek een uiting is van onze sociale identiteit, we de politiek niet kunnen veranderen als deze identiteit hetzelfde blijft. Een verandering van onze sociale identiteit – door het uiteenvallen van de gemeenschap en de daaruit voorkomende atomisering en vervreemding – heeft de huidige heropleving van extremisme en demagogie mogelijk gemaakt. Maar met een rijke en dikke participatiecultuur kunnen we de samenleving nieuw leven inblazen, en de  aanzet geven tot een omslag in onze attitudes en kijk op de wereld.

Zoals de hoogleraar psychologie Dan Kahan betoogt, zijn mensen geneigd om ‘te bepalen wat ze behoren te voelen, en dus te geloven, aan de hand van het juichen of joelen van de mensen thuis.’ We scheppen onze politieke identiteit door om ons heen te kijken en tegen onszelf te zeggen: ‘Hier hoor ik bij en daar hoor ik niet bij. Deze mensen hier zijn mijn bondgenoten en die daar zijn mijn tegenstanders.’ Als we onszelf zien als lid van een gemeenschap waarin de mensen samenwerken om zowel hun eigen bestaan als hun buurt te verbeteren, van elkaars gezelschap te genieten en elkaar te helpen, zal die perceptie waarschijnlijk ons politieke zelfbeeld bepalen.

Publieke weelde

Ecologen melden dat ecosystemen die divers en functioneel blijven beter in staat zijn om verstoringen te verwerken dan ecosystemen die een groot deel van hun soorten en habitats zijn kwijtgeraakt. Misschien werkt het in menselijke gemeenschappen net zo. Hoe sterker ze zijn, hoe beter ze met verandering omgaan.

Levendige gemeenschappen vol zelfvertrouwen die een breed scala aan economische en maatschappelijke kansen bieden, zullen waarschijnlijk minder vooroordelen koesteren tegen immigranten dan geatomiseerde verzamelingen angstige, boze en vervreemde mensen. Het participatieproces leidt er over het algemeen toe dat we meer contact krijgen met mensen uit andere culturen, zodat er dwars over culturele scheidslijnen heen vriendschappen ontstaan en we minder geneigd zijn om generalisaties en stereotypen over elkaar te ontwikkelen. Als het echt zo is, zoals de Trust Barometer lijkt te suggereren, dat mensen het sterkst geneigd zijn om vertrouwen te stellen in ‘iemand zoals jij’, dan zal meer betrokkenheid bij de gemeenschap, doordat die een breder besef creëert van wie die ‘iemand zoals jij’ zou kunnen zijn, ertoe kunnen leiden dat de kring van mensen die we vertrouwen groter wordt.

Zwakke gemeenschappen zijn minder goed in staat om te ijveren voor schonere lucht, schoner water, eerlijke energierekeningen en goed openbaar vervoer.

Nog voordat je er iemand gesproken hebt, zie je aan de kwaliteit van de lokale leefomgeving vaak al of zich ergens een goed functionerende gemeenschap heeft ontwikkeld. Overal ter wereld hebben zwakke gemeenschappen zonder goede politieke vertegenwoordiging het meest te lijden onder vervuiling, lawaai en andere aantastingen van hun leefmilieu. Een groep eenlingen is minder goed in staat om zich te verzetten tegen pogingen om hun woonwijk met een zesbaanssnelweg doormidden te hakken, daarbij openbare ruimten te vernielen en de armen onder het mom van stadsvernieuwing te verjagen naar aftandse buitenwijken, waar ze de welgestelden niet voor de voeten lopen. Zwakke gemeenschappen zijn minder goed in staat om te ijveren voor schonere lucht, schoner water, eerlijke energierekeningen en goed openbaar vervoer.

Functionerende gemeenschappen hebben meer kans om zich met succes in te zetten en te ijveren voor publieke weelde – mooie parken, overheidsgebouwen, sporthallen en andere nutsvoorzieningen – in plaats van te moeten toezien hoe alle beschikbare ruimte wordt gevuld door particuliere weelde die alleen bestemd is voor een exclusief gezelschap. Functionerende gemeenschappen hebben meer kans om ervoor te zorgen dat hun straten niet als doorgangsroutes fungeren en in de eerste plaats voor henzelf bestemd zijn. Ze hebben meer kans om zich met succes te verzetten tegen de commerciële krachten die kinderen en bejaarden verjagen uit het openbare leven. Als de woonlasten te hoog worden kunnen functionerende gemeenschappen zelfs huurstakingen organiseren – in het verleden zijn die er zo nu en dan geweest.

De stadswetenschapper Mike Davis merkt op dat er een ‘consequent verband bestaat tussen sociale rechtvaardigheid en milieurechtvaardigheid, tussen gemeenschapsethos en een groenere stadsontwikkeling.’ Davis: ‘De hoeksteen van de weinig CO2-uitstotende stad is niet zozeer een groen ontwerp of groene technologie, maar bestaat in de prioriteit die wordt gegeven aan publieke welvaart boven particuliere rijkdom. (…) Publieke weelde – in de vorm van grote stadsparken, gratis musea en bibliotheken en oneindig veel mogelijkheden voor menselijke interactie – vertegenwoordigt een alternatieve route naar een hoge levensstandaard, gebaseerd op een soort gemeenschapsleven dat vriendelijk is voor de Aarde.’

© Dave Stelfox

Iedereen kan meedoen; iedereen kan een bijdrage leveren; iedereen kan zichzelf zien als iemand die meebouwt aan de gemeenschap en van wie anderen voor hun welzijn afhankelijk zijn. Zo zijn er geen verliezers meer.

Geen verliezers meer

In zijn boek PostCapitalism merkt Paul Mason op dat ‘werk – de kenmerkende activiteit van het kapitalisme – zijn centrale belang bij zowel uitbuiting als verzet begint te verliezen.’ Bij gebrek aan een stabiele, hechte groep werknemers die zowel zijn eigen belangen als die van de gemeenschap als geheel kan verdedigen, hebben we een nieuwe kern nodig van waaruit we verzet kunnen bieden en met nieuwe voorstellen kunnen komen. De meest plausibele kandidaat daarvoor is de vanuit een participatiecultuur ontstane lokale gemeenschap die zich steeds verder naar buiten uitbreidt om de nationale en mondiale politiek te laten herleven.

Gemakkelijk is deze benadering niet, en snel al evenmin, maar ze is altijd nog veel sneller dan in hulpeloze kringetjes ronddraaien (wat kennelijk de strategie van de meeste gematigde politieke partijen is), en ze biedt vier voor de hand liggende voordelen.

De aanzet geven tot een participatiecultuur is altijd nuttig, ook als die niet tot een politieke transformatie leidt

Het eerste is dat geen enkel deel van het proces verspilde moeite is. De aanzet geven tot een participatiecultuur is altijd nuttig, ook als die niet tot een politieke transformatie leidt. Als je je hele politieke leven hebt doorgebracht met het ontwikkelen van een participatiecultuur zal je als je op een dag terugkijkt misschien denken: ‘We zijn niet aan de macht gekomen. Dus het enige wat ik heb bereikt is dat ik mensen bij elkaar heb gebracht, eenzaamheid, angst en achterdocht heb weten te verminderen, banen heb geschapen, voor plezier en een prettige leefomgeving heb gezorgd, en de totale hoeveelheid menselijk geluk heb laten groeien. Wat een tijdverspilling.’

Het tweede voordeel is dat de meeste van deze veranderingsgerichte stappen heel plezierig zijn.

Het derde voordeel is dat het veranderingsproces openstaat voor iedereen, en niet alleen voor degenen die werkzaam zijn binnen bepaalde bedrijfstakken. Dat was een zwak punt van het oude Britse gildensocialisme en van andere arbeidersbewegingen. Ze richtten zich alleen op een bepaalde groep werknemers en lieten vrouwen, gepensioneerden, zelfstandigen en vele anderen niet deelnemen weg uit de actieve politiek. Soms wekten ze de indruk dat sommige mensen meer recht hebben op een politieke rol dan anderen.

Het vierde voordeel is dat je niet op toestemming van wie dan ook hoeft te wachten om een begin te maken. Het is altijd verstandig om eerst te kijken wat anderen al doen, en je aan te sluiten bij bestaande initiatieven in plaats van dubbel werk te verrichten, maar als je ergens een leemte ziet die jij kunt helpen vullen, kun je daar morgen bij jou in de straat al mee beginnen.

Door in plaats van de werkplaats de gemeenschap als de focus van ons politieke leven te nemen, kunnen we ook een andere belangrijke kwestie aankaarten: namelijk het gevoel van woede en vernedering van mensen die altijd te horen hebben gekregen dat hun identiteit en waarde als mens voortkomen uit het werk dat ze doen, om vervolgens te ontdekken dat er helemaal geen banen meer zijn, of alleen banen die niemand met ook maar enig zelfrespect zou willen hebben.

Een gevoel van identiteit dat voortkomt uit actief burgerschap daarentegen leidt niet tot dergelijke problemen. Iedereen kan meedoen; iedereen kan een bijdrage leveren; iedereen kan zichzelf zien als iemand die meebouwt aan de gemeenschap en van wie anderen voor hun welzijn afhankelijk zijn. Zo zijn er geen verliezers meer.

Een bron van kracht

Het doen herleven van een gemeenschap is geen politiek wondermiddel. Hiermee alleen zullen we niet al onze problemen oplossen. Zonder andere vormen van politiek en economisch engagement van het soort dat ik in de volgende hoofdstukken aan de orde zal stellen, kan hiermee niet worden voorkomen dat de voorzieningen die gemeenschappen nodig hebben om tot bloei te komen – zoals ruimte en overheidsbudgetten – worden gekaapt voor het exclusieve gebruik door een klein groepje. Een participatiecultuur is geen remedie tegen uitbuiting op de arbeidsmarkt of pogingen van sommige mensen om met ondemocratische middelen de politieke macht te grijpen.

Sommige overheden zien gemeenschappen met een sterke innerlijke samenhang terecht als haarden van verzet en zullen proberen die te gronde te richten.

De lokale politiek is al evenmin bij machte om de wereld te veranderen. Tenzij we ons ook op nationaal en mondiaal niveau gaan inzetten, lopen onze lokale gemeenschappen voortdurend het risico kapotgemaakt en uit elkaar gejaagd te worden. We kunnen vol vreugde op democratische wijze prachtige straten en openbare ruimten ontwerpen, terwijl overheden en speculanten achter onze rug om samenzweren om alles wat voor ons van waarde is kapot te maken. Voor hen zijn we misschien niet meer dan een sta-in-de-weg bij hun grootse plannen.

Als we geen verzet bieden worden wij met onze plannen weggevaagd, zodat zij hun snelwegen, kantoorgebouwen, jachthavens, golfbanen en ommuurde woonwijken kunnen aanleggen. Sommige overheden zien gemeenschappen met een sterke innerlijke samenhang terecht als haarden van verzet en zullen proberen die te gronde te richten.

 

Maar net zoals de werkplaats ooit de stevige grondslag vormde van de nationale en internationale politiek, zo kan de herleefde gemeenschap een bron van kracht worden voor de bredere volksbewegingen die we opbouwen. Zo’n gemeenschap is een levend voorbeeld van de wereld die we willen scheppen, een demonstratie van het gegeven dat een andere wereld niet alleen mogelijk is, maar al bestaat.

Uit de puinhopen. Een nieuwe politiek in een tijd van crisis door George Monbiot is uitgegeven door Lemniscaat. 208 blzn. ISBN 978 90 477 1069 1

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift